Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen de maatstaf die het hof in rov. 2.2 van het bestreden arrest heeft aangelegd om te bepalen of met de eerbiediging van de immuniteit van ESA het wezen van het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter wordt aangetast. Voor een goed begrip geef ik de maatstaf weer die het hof in rov. 2.2 heeft aangelegd:
Beer and Regan v. Germany (28934/95)en
Waite and Kennedy v. Germany (26083/94)van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als ESA een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan partijen als [eiser] c.s. “reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention” ten dienste staan’.
A.L. v. Italie (41387/98)van 11 mei 2000 en
Bosphorus v. Ireland (45036/98)van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM Pro, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (“comparable”) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter “the essence of their “right to a court” (“la substance même du droit”) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “manifestly deficient” is.’
Stichting Mothers of Srebrenica and others v. The Netherlands (65542/12)van 11 juni 2013 niet meebrengt dat een dergelijke toetsing geheel achterwege zou moeten blijven, omdat zonder meer gevolg zou moeten worden gegeven aan de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie. Bij die vraag heeft ESA immers geen belang meer’.
subonderdeel 1.1dient verzekerd te worden dat de aan [eiser] c.s. verleende bescherming in een alternatieve rechtsgang, zoals die bij de Appeals Board, ten minste gelijkwaardig is met de bescherming die wordt geboden door art. 6 EVRM Pro. Dit laat niet toe dat in het kader van de beoordeling van de alternatieve rechtsgang het criterium wordt gebruikt of de bij de Appeals Board verleende bescherming kennelijk ontoereikend (‘manifestly deficient’) is. Door te toetsen of de bescherming in de alternatieve rechtsgang bij de Appeals Board kennelijk ontoereikend is, wordt het hof in
subonderdeel 1.2verweten de maatstaf uit de beslissing van het EHRM in de zaak Waite & Kennedy/Germany te hebben miskend. Het gebruik van een onjuiste maatstaf in rov. 2.2, werkt volgens
subonderdeel 1.3door in het vervolg van het arrest. Voor zover het hof geen onjuiste maatstaf heeft aangelegd, betoogt het middel dat het oordeel van het hof met betrekking tot het immuniteitsverweer van ESA onbegrijpelijk is.
subonderdeel 2.1wordt betoogd dat het hof in rov. 4.2 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans van een onbegrijpelijke beslissing, omdat het hof als onderdeel van zijn taak om te beoordelen of [eiser] c.s. ‘had available to them reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention’, de grenzen van de bevoegdheid van de Appeals Board van ESA (ambtshalve) had moeten onderzoeken ongeacht de vraag of de Appeals Board al dan niet uitspraak heeft gedaan over zijn eigen bevoegdheid. Volgens het subonderdeel vloeit dit onder andere voort uit de verplichting van het hof om te onderzoeken of de alternatieve rechtsgang een bescherming biedt die ten minste gelijkwaardig is met de bescherming van art. 6 EVRM Pro.
ubonderdeel 2.3keert zich tegen rov. 4.7 waarin het hof overweegt dat, zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de Appeals Board van ESA niet bevoegd was (onderdelen van) de vorderingen van [eiser] c.s. toe te wijzen, zulks in de omstandigheden van het geval niet betekent dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast. Het hof overweegt dat [eiser] c.s. hun geschil met ESA hebben voorgelegd aan de Appeals Board zonder zich daarbij kennelijk op het standpunt te stellen dat de Appeals Board onbevoegd was om van hun vorderingen kennis te nemen en dat zij vervolgens van de Appeals Board een inhoudelijk oordeel hebben gekregen over de vragen die zij aan de Appeals Board hebben voorgelegd. [eiser] c.s. hebben een rechtsgang kunnen benutten die voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van art. 6 EVRM Pro aan een dergelijke rechtsgang moeten worden gesteld, aldus het hof. Volgens het subonderdeel is rov. 4.7 onjuist en/of onbegrijpelijk gemotiveerd. Het subonderdeel bouwt voort op de eerdere onderdelen en moet het lot daarvan delen.
subonderdeel 3.2wordt aangevoerd dat het hof bepaalde door [eiser] c.s. in appel aangevoerde omstandigheden niet kenbaar heeft betrokken. De klacht faalt. Het hof heeft de door [eiser] c.s. aangevoerde omstandigheid dat leden van de Appeals Board in het verleden verbonden waren met ESA, besproken in rov. 5.2. Het betoog van [eiser] c.s. inzake de onbeperkte mogelijkheden van herbenoeming van de leden van de Appeals Board is door het hof aan de orde gesteld in rov. 5.3. In rov. 6.2 is de door [eiser] c.s. aangevoerde omstandigheid betreffende de eenzijdige briefwisseling tussen ESA en de Appeals Board met betrekking tot de zaak van [eiser] c.s. besproken. In rov. 5.6 heeft het hof aandacht besteed aan het standpunt van [eiser] c.s. met betrekking tot de weigering van de Appeals Board om notulen van de zitting op te stellen. In de genoemde overwegingen heeft het hof voldoende gerespondeerd op de bezwaren die [eiser] c.s. hebben geuit over de interne rechtsgang bij de Appeals Board van ESA. In geen van de aangevoerde bezwaren heeft het hof aanleiding gezien om te oordelen dat de interne rechtsgang bij de Appeals Board ESA niet voldoet aan de vereisten van art. 6 EVRM Pro, ook niet wanneer deze bezwaren in onderling verband worden gezien (rov. 8.1). Tot een verdere motivering was het hof niet gehouden.
expatriation allowanceregelt, het vrij verkeer voor werknemers als [eiser] c.s. niet beperkt, dat [eiser] c.s. vrij waren en zijn om te gaan naar het land van hun keuze en dat noch de Staat noch enige werkgever in de EG verplicht is de kosten van een dergelijke verhuizing te dragen. De grief stuit hierop in zijn geheel af’.
subonderdelen 4.1 en 4.2). Het hof heeft grief 6 te beperkt uitgelegd door daarin slechts te lezen dat de beslissing van de Appeals Board van ESA volgens [eiser] c.s. onvoldoende is gemotiveerd, waar [eiser] c.s. zich mede op het standpunt hebben gesteld dat zij aanspraak hebben op een effectieve rechtsbescherming bij de overheidsrechter ter zake van de rechten die zij rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen; de aanspraak van [eiser] c.s. op deze effectieve rechtsbescherming staat in de weg aan de immuniteit van jurisdictie van ESA (
subonderdeel 4.2). Dit geldt des te meer nu de Appeals Board van ESA geen rechterlijke instantie is die bevoegd is prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU en daarmee niet in staat is de bedoelde effectieve rechtsbescherming te verlenen (
subonderdeel 4.3). In ieder geval was het hof ambtshalve gehouden te onderzoeken of de Staff Regulations indruisen tegen de rechten die [eiser] c.s. ontlenen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht (
subonderdeel 4.4). Het hof heeft de motivering van de beslissing van de Appeals Board ten onrechte marginaal getoetst, terwijl zijn taak op een doeltreffende rechterlijke controle op de naleving van het Unierecht meebrengt dat hij deze motivering inhoudelijk beoordeelt (
subonderdeel 4.5). Het hof heeft miskend dat met het ontbreken van een motivering op één lijn moet worden gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt (
subonderdeel 4.6). Het hof is ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd voorbij gegaan aan het standpunt van [eiser] c.s. dat de motivering van de Appeals Board geen steekhoudende verwerping inhoudt van het gemotiveerde betoog dat de Staff Regulations indruisen tegen de rechten die [eiser] c.s. rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen (
subonderdelen 4.7 t/m 4.9).