Conclusie
1.Feiten en procesverloop
toev. A-G] [4] genoemd Modelreglement was (…) onder meer opgenomen dat de kosten voor onderhoud van trappenhuizen, trappenhuisverlichting, buitendeuren woningen, brievenbussen woningen, ramen en kozijnen woningen, buitenschilderwerk woningen en balkons van de woningen (hierna: de algemene woonkosten) worden gedragen door alleen de appartementseigenaars van de woningen.
vernam ik dat de vereniging het besluit heeft genomen om de akte van splitsing op 1 maart 1983 verleden voor notaris F.A.M. Hoevenaars te wijzigen, aangezien door de eigenaar van de bedrijfspanden het verzoek is gedaan de voorgevel te verplaatsen.
aan belanghebbenden” een brief [6] gezonden waarin, voor zover relevant, het volgende is opgenomen:
betreft – alleen betreft het naar voren plaatsen van de winkelpuien tot en met het huidige looppad. Omdat dit looppad thans behoort tot de zg. "gemeenschappelijke delen" van de VvE is wijziging van de akte (en tekening) noodzakelijk.”
atot en met
cnietig zijn;
b)en
c)en G toegewezen, en voor het overige – grotendeels wegens gebrek aan belang – afgewezen. De vorderingen van de VvE in reconventie zijn afgewezen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
“als derden te goeder trouw bescherming toe(komt), zoals voortvloeit uit het bepaalde in de artikelen 3:25 en/of 3:26 BW.”
eerste klacht (onder 1.1) neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 9 tot uitdrukking heeft gebracht dat art. 3:25 BW Pro in het onderhavige geval voor toepassing in aanmerking komt. Hiervan uitgaande wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 3:25 BW Pro slechts bescherming biedt tegen ingeschreven onjuiste feiten die door een ambtenaar met kracht van authenticiteit zijn vastgesteld, als hoedanig het onderhavige onjuiste, in de registers ingeschreven feit – de regeling van de verdeling van de algemene woonkosten – immers niet kwalificeert.
vertrouwen op de inhoud van de openbare registers”en daarbij heeft verwezen naar
“bescherming op grond van art. 3:23 tot Pro en met art. 3:26 BW Pro” [30] , daarmee kennelijk doelend op het stelsel van registerbescherming in het algemeen. Tegen die achtergrond heeft het hof met zijn overweging:
tweede klacht(
onder 1.2) komt in 3 subonderdelen op tegen het oordeel van het hof in rov. 9 dat
“het beroep van [eiseres] op (de uitzonderingssituatie van) art. 3:26 BW Pro wordt verworpen, en wel op grond van het feit dat zij er indertijd redelijkerwijs voor had kunnen zorgen dat een akte met een juiste inhoud werd ingeschreven.”
“(de uitzonderingssituatie van) artikel 3:26 BW Pro”, waarmee, nu [eiseres] blijkens de gedingstukken niet heeft gesteld dat de appartementseigenaren niet te goeder trouw waren als bedoeld in de met “tenzij” ingeleide zinsnede van art. 3:26 BW Pro, het hof kennelijk heeft uitgedrukt dat [eiseres] heeft betoogd niet voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid te hebben kunnen zorgdragen. Ik acht art. 24 Rv Pro of de goede procesorde dan ook niet geschonden. Subonderdeel 1.2.1 faalt.
“er indertijd redelijkerwijs voor had kunnen zorgdragen dat een akte met een juiste inhoud werd ingeschreven”, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat voor een beroep op art. 3:26 BW Pro alleen dan plaats is indien (i) degene tegen wie een beroep op de bescherming wordt gedaan, het feit zelf heeft doen inschrijven, terwijl hij de onjuistheid kende, of (ii) hij de onjuistheid aanvankelijk niet kende, maar, nadat hij van de onjuistheid kennis had genomen, heeft nagelaten de inschrijving te doen doorhalen of verbeteren, van welke – bewust beperkte – maatstaf het hof blijkens zijn geciteerde overweging (kennelijk) niet is uitgegaan; althans is ’s hofs overweging ontoelaatbaar onduidelijk, nu daaruit niet blijkt of het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd.
Subonderdeel 1.2.3voegt hieraan toe dat in elk geval de hier bedoelde overweging van het hof onvoldoende gemotiveerd is en/of het hof met die overweging onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang geeft, aangezien het hof op geen enkele wijze duidelijk maakt op welke feiten en omstandigheden het zijn oordeel baseert, en het hof noch in rov. 9, noch elders in zijn arrest feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die de conclusie zouden kunnen dragen dat [eiseres] er indertijd redelijkerwijs voor had kunnen zorgdragen dat een akte met een juiste inhoud werd ingeschreven. De door het hof – ten overvloede – gegeven omstandigheden dat de wijziging is geïnitieerd door [eiseres] en dat [eiseres] was voorzien van notarieel en rechtskundig advies kunnen dat oordeel niet zonder meer dragen. Volgens het subonderdeel valt immers niet in te zien hoe die enkele omstandigheden zouden kunnen leiden of bijdragen tot het oordeel dat [eiseres] het onjuiste feit zelf had doen inschrijven, terwijl zij de onjuistheid zou hebben gekend en/of dat zij zou hebben nagelaten de onjuiste inschrijving te verbeteren, nadat zij van die onjuistheid kennis had gekregen.
Mogelijkis dat hij zulks had kunnen doen, omdat hij zelf de onjuiste inschrijving heeft te weeg gebracht, terwijl hij die onjuistheid kende of behoorde te kennen.
Ook is mogelijkdat hij eerst naderhand van de ten zijnen nadele verrichte inschrijving of van de onjuistheid daarvan kennis heeft gekregen, maar toen heeft verzuimd om haar te doen doorhalen of rectificeren.”(curs. A-G) [33]
uitsluitendplaats is indien (i) degene tegen wie een beroep op de bescherming wordt gedaan, het feit zelf heeft doen inschrijven terwijl hij de onjuistheid
kende, of (ii) hij na kennisneming van de onjuistheid heeft nagelaten de inschrijving te doen doorhalen of verbeteren. Mijns inziens getuigt dit uitgangspunt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats valt uit de aangehaalde wetgeschiedenis af te leiden – zie met name het eerste citaat [40] – dat de daarin genoemde en hiervoor zojuist onder (a) en (b) samengevatte situaties geen limitatieve opsomming behelzen en dat ook buiten die twee met name genoemde gevallen sprake zal kunnen zijn van een ‘redelijkerwijze hebben kunnen zorgdragen’ in de zin van art. 3:26 BW Pro. [41] Belangrijker is echter dat blijkens de wetgeschiedenis sprake is van een objectieve maatstaf, waar degene tegen wie een beroep op de bescherming wordt gedaan ook geacht wordt redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid te hebben kunnen zorgdragen indien hij het feit heeft doen inschrijven terwijl hij de onjuistheid
behoordete kennen. Daarbij wordt door de Minister aangetekend dat bij een juiste uitleg van de bepaling het geval dat bescherming uitblijft op grond dat de rechthebbende het feit zelf heeft doen inschrijven zonder dat hij de onjuistheid ervan kende of behoorde te kennen, zich slechts zelden zal voordoen (zie het laatste citaat).
“er indertijd redelijkerwijs voor had kunnen zorgen dat een akte met een juiste inhoud werd ingeschreven”heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat sprake was van een situatie als bedoeld onder (a), te weten dat [eiseres] in 1994 de inschrijving van een feit heeft teweeggebracht terwijl zij de onjuistheid ervan – die zij niet kende, zie rov. 8 – behoorde te kennen.
kendeen treft reeds op die grond geen doel. Voorts is ’s hofs kennelijke en feitelijke oordeel dat [eiseres] in 1994 de inschrijving van een feit heeft teweeggebracht terwijl zij de onjuistheid ervan
behoordete kennen niet ontoereikend gemotiveerd met de vaststelling dat [eiseres] de initiatiefnemer tot de wijziging was en dat zij was voorzien van notarieel en rechtskundig advies.
derde klacht(
onder 1.3) is in drie subonderdelen gericht tegen het oordeel in rov. 9 dat
“het beroep van [eiseres] op (de uitzonderingssituatie van) art. 3:26 BW Pro wordt verworpen (…) althans omdat de oneigenlijke dwaling bij het tekenen van de volmacht niet aan de appartementseigenaren kan worden tegengeworpen.”
subonderdelen 1.3.2 en 1.3.3berusten op de lezing dat het hof zijn oordeel dat “de oneigenlijke dwaling bij het tekenen van de volmacht niet aan de andere appartementseigenaars kan worden tegengeworpen” heeft gebaseerd op art. 3:36 BW Pro (subonderdeel 1.3.2) dan wel art. 3:61 lid 2 BW Pro (subonderdeel 1.3.3). Geklaagd wordt dat een dergelijk oordeel onvoldoende gemotiveerd en/of in strijd met essentiële stellingen van [eiseres] (subonderdeel 1.3.2) respectievelijk rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is (subonderdeel 1.3.3).
onderdeel IIkeert [eiseres] zich tegen het slot van rov. 9 van het bestreden arrest, voor zover daarin het beroep van [eiseres] op redelijkheid en billijkheid wordt verworpen:
de letterlijke tekst van de akte van 1994 een onjuiste weergave vormt van de afspraken binnen de VvE.”, waarmee het hof kennelijk doelt op de stelling van [eiseres] in haar MvA onder 64 (en CvA in reconventie onder 27) luidend: