Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
toezegging”aldus heeft opgevat dat [eiser] heeft toegezegd om de
volledigegevorderde hoofdsom ad € 1.071 aan [verweerder] te zullen betalen. Geklaagd wordt dat die uitleg onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken van [eiser] , met name zijn akte van 9 mei 2014.
Onderdeel 2bestempelt voormeld oordeel daarmee of daarnaast als innerlijk tegenstrijdig, waar de kantonrechter enerzijds in rov. 1 vaststelt dat [eiser] zijn
verweer handhaaften anderzijds het
totaalgevorderde bedrag in hoofdsom toewijst. Daartoe wordt aangevoerd dat de gedingstukken van [eiser] geen andere uitleg toelaten dan dat hij steeds heeft betwist gehouden te zijn het totaal door [verweerder] gedeclareerde en gevorderde bedrag ad € 1.071 te voldoen.
Onderdeel 3gaat er vanuit dat de kantonrechter tot de conclusie is gekomen dat [eiser] met de “toezegging” in (nr. 2 van) zijn akte van 9 mei 2014 zijn inhoudelijke verweren tegen de vordering van [verweerder] tot betaling van de hoofdsom ad € 1.070 heeft
prijsgegeven.Geklaagd wordt dat die gevolgtrekking onbegrijpelijk is nu uit die akte niet meer kan worden afgeleid dan dat [eiser] zich (andermaal) bereid toonde om het in de beschikking van het hof Amsterdam van 7 maart 2013 “toegekende bedrag” aan wettelijke onkostenvergoeding aan [verweerder] te betalen, waarbij [eiser] onmiskenbaar slechts doelde op de in die hofbeschikking bepaalde vergoeding ad € 13,62.