ECLI:NL:PHR:2015:2088

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2015
Publicatiedatum
14 oktober 2015
Zaaknummer
14/05544
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 ROArt. 1 lid 3 Wet Tarieven in StrafzakenArt. 32 Gedragsregels voor advocatenArt. 591 SvArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis over vergoeding getuige advocaat en wijst beperkte vergoeding toe

In deze zaak vordert een advocaat, die als getuige in een strafzaak is opgetreden, betaling van een urenvergoeding van € 1.071 door de raadsman van de verdachte. De kantonrechter wees de vordering toe op basis van een vermeende toezegging van de raadsman, ondanks dat deze het bedrag betwistte en slechts bereid was de forfaitaire vergoeding van € 13,62 te betalen die het hof Amsterdam eerder had toegekend.

De raadsman stelde dat de wettelijke procedure voor vergoeding van getuigenkosten gevolgd was en dat de advocaat reeds een forfaitaire vergoeding had ontvangen, waarvoor de medewerking van de advocaat nodig was om het bedrag te ontvangen. De kantonrechter oordeelde echter dat de raadsman een toezegging had gedaan tot betaling van het volledige bedrag, wat onbegrijpelijk was gezien de processtukken.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de kantonrechter vanwege een onbegrijpelijke en innerlijk tegenstrijdige motivering omtrent de toezegging. De Hoge Raad oordeelt dat de vordering tot betaling van het volledige bedrag niet is erkend en wijst in plaats daarvan de vordering toe tot het forfaitaire bedrag van € 13,62 dat het hof Amsterdam aan de cliënt van de raadsman had toegekend.

De zaak wordt door de Hoge Raad zelf afgedaan, waarbij de vordering tot betaling van de urenvergoeding wordt afgewezen en slechts de wettelijke forfaitaire vergoeding wordt toegewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de vordering toe tot de forfaitaire vergoeding van € 13,62.

Conclusie

14/05544
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 9 oktober 2015
CONCLUSIE inzake:
[eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen:
[verweerder],
verweerder in cassatie,
niet verschenen
In deze op de voet van art. 80 RO Pro aan Uw Raad voorgelegde zaak gaat het om de vraag of de kantonrechter op goede gronden is overgegaan tot toewijzing van de vordering van een getuige in een strafzaak tot vergoeding van de met diens verhoor gemoeide tijd.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten: [1]
a) [verweerder] , thans verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ), heeft in 2009 bij justitie tegen een derde aangifte gedaan van een tegen hem gerichte bedreiging en aantasting van zijn goede naam. Die aangifte heeft geleid tot een tegen die derde gerichte strafvervolging. [eiser] , thans eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ), is daarbij als raadsman van de verdachte opgetreden.
b) In het kader van die strafvervolging is [verweerder] op 14 juni 2010 als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris bij het hof Amsterdam.
c) In verband met dit verhoor heeft [A] B.V. – het kantoor waaraan [verweerder] als advocaat verbonden is – wegens de door hem aan dat verhoor bestede tijd op 29 juni 2010 een declaratie aan [eiser] uitgebracht ten bedrage van € 1.071.
d) [eiser] was niet bereid die nota te voldoen.
e) De kantonrechter (in de rechtbank Amsterdam) heeft de door [A] B.V. tegen [eiser] ingestelde vordering bij vonnis van 10 januari 2013 (rolnr. CV 12-8906) [2] afgewezen, zulks op de grond – kort gezegd – dat alleen een getuige aanspraak kan hebben op getuigengeld en niet het kantoor waaraan die getuige als advocaat verbonden is.
f) Vervolgens heeft [verweerder] dezelfde vordering op eigen naam ingesteld.
1.2
Bij inleidende dagvaarding van 7 maart 2013 heeft [verweerder] de veroordeling van [eiser] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 1.071 in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente tot 22 januari 2013 ad € 94,57 en buitengerechtelijke incassokosten ad € 150, derhalve in totaal € 1.315,57, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 januari 2013.
Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd [3] dat [eiser] op grond van art. 1 lid 3 Wet Pro Tarieven in Strafzaken (WTS) en art. 32 van Pro de Gedragsregels voor advocaten gehouden is tot voldoening van het bij (kantoor)declaratie d.d. 29 juni 2010 voor het als getuige optreden van [verweerder] in rekening gebrachte bedrag ad € 1.071 (gespecificeerd als: 2 uur honorarium ad in totaal € 900 + omzetbelasting € 171). [4]
1.3
[eiser] heeft betwist dat de vordering kan worden gegrond op art. 1 lid 3 WTS Pro en art. 32 Gedragsregels Pro (conclusie van antwoord onder 11 en 12). Hij heeft ook de gestelde kosten betwist (conclusie van antwoord onder 15). Hij heeft zich voorts o.m. beroepen op de beschikking van het hof Amsterdam van 7 maart 2013 op het verzoekschrift van de verdachte krachtens art. 591 Sv Pro, waarbij het hof aan de verdachte wegens de te zijnen laste komende vergoeding voor tijdverzuim van 2 uren van getuige [verweerder] een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas heeft toegekend van € 13,62. [5] Hij heeft in dit verband gesteld (conclusie van antwoord, onder 4):
“In deze procedure, die de door de wetgever bepaalde weg is voor het vergoeden van kosten van getuigen, heeft het Gerechtshof op grond van de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken een vergoeding aan [verweerder] toegekend van € 13,62 (…) Nadat dit bedrag van het Rijk is ontvangen, is aan de gemachtigde van [verweerder] gevraagd op welke rekening dit bedrag voldaan kan worden doch is tot op heden geen enkele reactie ontvangen. Nu [verweerder] reeds een vergoeding toekomt heeft hij thans in ieder geval op grond van art. 3:303 BW Pro ook geen belang (meer) bij deze onderhavige vordering.”
en verder (conclusie van dupliek onder 9):
“Voorts heeft de wetgever een wettelijke procedure vastgesteld voor de vergoeding van kosten, namelijk de procedure ex artikel 591 Wetboek Pro van Strafvordering. (…) Deze procedure is ook geëntameerd en het Gerechtshof heeft de verzochte vergoeding voor tijdverzuim gehonoreerd. Aan [verweerder] komt het toegekende bedrag ad € 13,62 toe. Meermalen is de gemachtigde van [verweerder] aangeschreven met het verzoek aan te geven naar welke rekening dit bedrag overgemaakt dient te worden (...) doch tot op heden is geen enkele reactie ontvangen.”
1.4
Bij tussenvonnis van 14 februari 2014 heeft de kantonrechter overwogen dat “er vraagtekens te plaatsen [zijn] bij de juridische grondslag” van de vordering van [verweerder] (rov. 7) en [verweerder] in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van verschillende in dat vonnis genoemde vraagpunten (rov. 8-11) zijn vordering nader te onderbouwen.
1.5
[verweerder] heeft op 14 maart 2014 een akte genomen en in een daarbij aangehechte bijlage zijn vordering nader onderbouwd.
1.6
[eiser] heeft op 9 mei 2014 een akte uitlaten bijlagen genomen. Hij stelt daarin onder meer:
“2. Hetgeen [verweerder] in de bijlage stelt is onjuist. In casu is [verweerder] als getuige opgeroepen door het Gerechtshof en er is een wettelijke regeling omtrent vergoedingen voor getuigen. Die wettelijke regeling is gevolgd en aan [verweerder] is een vergoeding toegekend. Tot op heden is deze vergoeding niet aan [verweerder] overgemaakt omdat de bankgegevens ondanks herhaald verzoek niet zijn verkregen. [eiser] zal op eerste verzoek van [verweerder] onder mededeling van bankgegevens het toegekende bedrag overmaken. Wellicht ten overvloede merkt [eiser] op dat geen sprake zal zijn van contante uitbetaling van de vergoeding.
3. De wetenschappelijke beschouwing zoals uiteengezet in de bijlage miskent kennelijk het bestaan van een wettelijke regeling omtrent vergoeding van kosten van getuigen.
(…)
5. De bijlage bij de akte van [verweerder] laat ten onrechte buiten beschouwing (…) dat hem reeds een vergoeding is toegekend.”
1.7
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 25 juli 2014 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] een bedrag ad € 1.071,00 te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Daartoe heeft hij als volgt verwogen:
“1. De kantonrechter heeft goede nota genomen van de toezegging in de akte van [eiser] – zulks met handhaving van zijn verweer – dat hij het bedrag van het getuigengeld op een door [verweerder] op te geven bankrekening zal overmaken. Op die grond zal [eiser] tot betaling worden veroordeeld.
2. De nevenvorderingen terzake van rente en kosten zullen worden afgewezen. Deze zijn immers niet in de voormelde toezegging begrepen, terwijl de door [verweerder] aan zijn vordering ten grondslag gelegde argumentatie niet toereikend is. Daaromtrent het volgende.
3. In zijn tussenvonnis heeft de kantonrechter onder meer de vraag aan de orde gesteld of een getuige onder omstandigheden aan art. 1.3 Wet tarieven in strafzaken – behalve tegen de verdachte – ook aanspraken kan ontlenen tegen diens advocaat.
[verweerder] is in zijn akte niet op die kwestie ingegaan, laat staan dat hij argumenten heeft aangedragen voor een positieve beantwoording van die vraag. De kantonrechter oordeelt dan ook dat genoemde wetsbepaling geen grondslag oplevert voor de onderhavige vordering.
4. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor art. 32 van Pro de Gedragsregels voor advocaten. Nu [verweerder] ook dat punt in zijn akte heeft laten liggen, blijft de kantonrechter erbij dat een eventuele overtreding van die regel door een advocaat in strafzaken geen grondslag oplevert voor een vergoedingsplicht jegens de getuige.
5. De afloop van deze procedure geeft reden voor compensatie van de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter
I veroordeelt [eiser] om aan [verweerder] € 1.071,00 te betalen door storting op een door hem op te geven bankrekening.
(…)”
1.8
[eiser] heeft tegen het eindvonnis op de voet van art. 80 RO Pro – tijdig [6] – beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft de zaak schriftelijk laten toelichten door zijn advocaat. [verweerder] is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend.

2.Beoordeling van het cassatieberoep

2.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 1 in samenhang met het dictum onder I, alwaar de kantonrechter heeft overwogen dat [eiser] in zijn akte – met handhaving van zijn verweer – een toezegging tot betaling heeft gedaan, op grond van welke toezegging hij zal worden veroordeeld tot betaling van, naar uit het dictum blijkt, het gevorderde bedrag in hoofdsom ad € 1.071.
2.2
Volgens [eiser] (cassatiedagvaarding, p. 6) is sprake van een evidente misslag. Hij heeft echter onweersproken gesteld dat de kantonrechter een verzoek tot herstel van het dictum onder I en II op de voet van art. 31 Rv Pro heeft afgewezen, zodat cassatieberoep openstaat (art. 399 Rv Pro).
2.3
Het middel omvat drie onderdelen, waarin met motiveringsklachten wordt opgekomen tegen het hiervoor onder 2.1 vermelde oordeel en de daarop gevolgde beslissing.
2.4
Onderdeel 1berust op de lezing dat het hof de in rov. 1 genoemde “
toezegging”aldus heeft opgevat dat [eiser] heeft toegezegd om de
volledigegevorderde hoofdsom ad € 1.071 aan [verweerder] te zullen betalen. Geklaagd wordt dat die uitleg onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken van [eiser] , met name zijn akte van 9 mei 2014.
Onderdeel 2bestempelt voormeld oordeel daarmee of daarnaast als innerlijk tegenstrijdig, waar de kantonrechter enerzijds in rov. 1 vaststelt dat [eiser] zijn
verweer handhaaften anderzijds het
totaalgevorderde bedrag in hoofdsom toewijst. Daartoe wordt aangevoerd dat de gedingstukken van [eiser] geen andere uitleg toelaten dan dat hij steeds heeft betwist gehouden te zijn het totaal door [verweerder] gedeclareerde en gevorderde bedrag ad € 1.071 te voldoen.
Onderdeel 3gaat er vanuit dat de kantonrechter tot de conclusie is gekomen dat [eiser] met de “toezegging” in (nr. 2 van) zijn akte van 9 mei 2014 zijn inhoudelijke verweren tegen de vordering van [verweerder] tot betaling van de hoofdsom ad € 1.070 heeft
prijsgegeven.Geklaagd wordt dat die gevolgtrekking onbegrijpelijk is nu uit die akte niet meer kan worden afgeleid dan dat [eiser] zich (andermaal) bereid toonde om het in de beschikking van het hof Amsterdam van 7 maart 2013 “toegekende bedrag” aan wettelijke onkostenvergoeding aan [verweerder] te betalen, waarbij [eiser] onmiskenbaar slechts doelde op de in die hofbeschikking bepaalde vergoeding ad € 13,62.
2.5
Het gaat bij de in de bestreden rov. 1 genoemde akte om de ‘akte uitlaten bijlagen’ van [eiser] d.d. 9 mei 2014. Zoals uit de hiervoor onder 1.6 aangehaalde, in cassatie relevante gedeelten blijkt, stelt [eiser] in deze akte dat eerder een wettelijke getuigenvergoeding is toegekend, dat deze nog niet aan [verweerder] kon worden overgemaakt omdat ondanks herhaald verzoek geen bankgegevens zijn verkregen, maar dat op eerste verzoek van [verweerder] onder mededeling van bankgegevens “het toegekende bedrag” zal worden overgemaakt (akte onder 2).
Een en ander sluit aan op het eerdere (onbetwiste) betoog van [eiser] dat hij (namens zijn cliënt in de strafrechtelijke procedure) reeds in 2013 in een procedure ex art. 591 Sv Pro bij het hof Amsterdam een vergoeding voor de door [verweerder] aan zijn getuigenverhoor bestede tijd had verzocht en (uit ’s Rijks kas) toegekend heeft gekregen. [7] Dit betrof een (forfaitaire) vergoeding van in totaal € 13,62, [8] waarover [eiser] heeft opgemerkt dat hij na ontvangst daarvan bij de gemachtigde van [verweerder] heeft geïnformeerd op welke rekening dat bedrag voldaan kon worden, maar dat hij tot op heden geen enkele reactie op die vraag heeft ontvangen (zie conclusie van antwoord onder 4 en conclusie van dupliek onder 9 (beide aangehaald hiervoor onder 1.3 )).
2.6
Mede in het licht van de genoemde processtukken laten de stellingen van [eiser] in zijn akte geen andere uitleg toe dan dat [eiser] niet heeft toegezegd het gedeclareerde bedrag van € 1.071 te betalen, maar dat [eiser] slechts doelde op de (uiteindelijk voor [verweerder] bestemde) vergoeding ad € 13,62 die het hof Amsterdam in 2013 aan de cliënt van [eiser] heeft toegekend, en waarvoor de medewerking van [verweerder] vereist is om deze aan hem te doen toekomen. Indien de kantonrechter van een andere uitleg van de “toezegging” is uitgegaan, is die uitleg onbegrijpelijk.
Voor zover de kantonrechter, door te overwegen dat [eiser] een toezegging heeft gedaan, tot uitdrukking brengt dat de (hoofd)vordering van [verweerder] als erkend moet worden toegewezen [9] , is dat onbegrijpelijk, nu de gedingstukken immers geen andere uitleg toelaten dan dat [eiser] juist niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft erkend [10] dat hij rechtens gehouden is het volledige gedeclareerde bedrag te betalen.
2.7
Hier komt bij dat het, gelet op het verloop van de procedure, ook niet voor de hand lag dat [eiser] betaling van het volledige gedeclareerde bedrag zou toezeggen of de vordering van [verweerder] zou erkennen. Bedacht moet immers worden dat, zoals [eiser] in cassatie terecht opmerkt (cassatiedagvaarding, p. 7), de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 14 februari 2014 nog juist “vraagtekens” plaatste bij de juridische deugdelijkheid van de vordering van [verweerder] , zodat er tegen die achtergrond allerminst aanleiding leek te bestaan voor [eiser] om betaling toe te zeggen of tot erkenning van de vordering over te gaan.
2.8
Indien de kantonrechter de “toezegging” heeft opgevat als hiervoor bepleit – te weten: strekkende tot (door)betaling van de forfaitaire vergoeding ad € 13,62 – is het dictum onder I onbegrijpelijk.
2.9
Het oordeel van de kantonrechter acht ik voorts innerlijk tegenstrijdig. In rov. 1 wordt enerzijds vastgesteld dat [eiser] zijn verweer handhaaft, terwijl anderzijds wordt overwogen dat hij een toezegging heeft gedaan, waarvan de kantonrechter oordeelt dat deze reeds op zichzelf tot toewijzing van de vordering moet leiden. Zonder nadere motivering laat het zich niet geredelijk inzien hoe het handhaven van een verweer te verenigen is met het doen van een processuele toezegging die juist de toewijzing van de vordering met zich brengt. Ook in zoverre ontbreekt dan ook het benodigde inzicht in de door de kantonrechter gevolgde gedachtegang om zijn oordeel voldoende begrijpelijk te doen zijn.
2.1
Het middel van [eiser] treft dus doel.
2.11
Ik meen dat Uw Raad deze zaak, na vernietiging van het eindvonnis, zelf kan afdoen. De overwegingen die de kantonrechter in de hiervoor (onder 1.7) aangehaalde rov. 2-4 van zijn eindvonnis aan afwijzing van de vorderingen van [verweerder] tot betaling van rente en kosten ten grondslag heeft gelegd, zijn in cassatie niet bestreden en staan tevens aan toewijzing van de gevorderde hoofdsom ad € 1.071 in de weg. Mijns inziens kan, nu in cassatie op zichzelf niet is bestreden dat de “toezegging” tot betaling van enig bedrag grondslag is voor een veroordeling tot betaling van dat bedrag, de vordering van [verweerder] tot een bedrag van € 13,62 worden toegewezen.

3.Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, van 25 juli 2014 vernietigt en de zaak zelf afdoet op de onder 2.11 aangegeven wijze.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 1-6 van het (tussen)vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 14 februari 2014.
2.Overgelegd als productie bij inleidende dagvaarding.
3.Inl. dagv. onder 3. Zie ook conclusie van repliek onder 7 e.v.
4.De declaratie is overgelegd als productie bij inleidende dagvaarding.
5.Productie 1 bij conclusie van antwoord. Het verzoekschrift ex art. 591 Sv Pro is overgelegd bij inleidende dagvaarding.
6.De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 22 oktober 2014.
7.Het verzoekschrift ex art. 591 Sv Pro is overgelegd bij inleidende dagvaarding. De beschikking van het hof Amsterdam van 7 maart 2013 is overgelegd als prod. 1 bij conclusie van antwoord.
8.Dit bedrag vertegenwoordigt tweemaal de standaard uurvergoeding van € 6,81; zie de beschikking van het hof, rov. 3.
9.Vgl. cassatiedagvaarding, p.7.
10.Zie over de gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv Pro) nader HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616,