ECLI:NL:PHR:2015:2099

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2015
Publicatiedatum
15 oktober 2015
Zaaknummer
14/02213
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen

Verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens diefstal met geweld, poging tot medeplegen van gekwalificeerde doodslag en medeplegen van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof kende gedeeltelijk schadevergoeding toe aan benadeelde partijen en besliste over beslag.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, maar heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zestig dagen na aanzegging schriftuur houdende middelen ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Procureur-Generaal concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het cassatieberoep. Er is geen inhoudelijke behandeling van de zaak in cassatie geweest vanwege het ontbreken van tijdige middelen.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen.

Conclusie

Nr. 14/02213
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 16 april 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens, kort gezegd, 1. “diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging”, 2. “poging tot medeplegen van gekwalificeerde doodslag, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de vorderingen van drie benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft het hof een beslissing gegeven over het beslag.
Er bestaat samenhang tussen deze zaak en de zaak met nummer 14/02520. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 22 april 2014.
Op 5 februari 2015 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen bij de Hoge Raad, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG