Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
bij [A]ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten WZA-II en WZA-III wetenschap van benadeling aanwezig was (zie in het bijzonder de tweede volzin van rov. 4.2). Daarvan uitgaande, kon de rechtbank in het midden laten of WZA-II en WZA-III beschouwd dienen te worden als rechtshandelingen van [A] ‘om niet’ of als rechtshandelingen van [A] ‘anders dan om niet’ (in de zin van art. 42 Fw Pro). In beide gevallen is wetenschap van benadeling
bij [A]immers vereist voor vernietiging ex art. 42 Fw Pro.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
juiste) oordeel echter (in rov. 4.6 t/m 4.8 en 4.10-4.11) uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij miskend heeft “dat voor de vraag of de regresvordering van de borg is gesecureerd door een voor faillissement van de regresdebiteur door laatstgenoemde ten gunste van de borg gevestigd zekerheidsrecht, en/althans voor de vraag of de borg zich voor die regresvordering kan verhalen op goederen waarop een zodanig zekerheidsrecht is gevestigd, het ontstaansmoment van die regresvordering niet relevant is, en/althans niet relevant is of die regresvordering voortvloeit uit een ten tijde van het faillissement bestaande rechtsverhouding.”