ECLI:NL:PHR:2015:2128

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 augustus 2015
Publicatiedatum
20 oktober 2015
Zaaknummer
15/02846
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 aanhef en onder f FwArt. 287 lid 2 FwArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken vereiste verklaring

Verzoeker diende een verzoek in tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nadat een derde faillissement had aangevraagd. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een verklaring die voldoet aan art. 285 lid 1 aanhef Pro en onder f Fw. Verzoeker had weliswaar een verklaring van zijn advocaat, maar deze voldeed niet aan de wettelijke eisen.

In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof baseerde zich op een verklaring van de advocaat, hoewel het verzoekschrift zelf niet was overgelegd. Verzoeker betwistte dit niet. Het hof wees ook op de mogelijkheid van herstel, maar gaf geen termijn daarvoor.

In cassatie voerde verzoeker aan dat de advocaat gehinderd was doordat het procesdossier niet tijdig werd verstrekt en dat het falen van de kredietbank niet aan hem kon worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de verklaring terecht tot niet-ontvankelijkheid leidt. Het hof had een discretionaire bevoegdheid tot herstel, maar het niet verlenen van een termijn was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste verklaring.

Conclusie

15/02846
Mr. L.Timmerman
Parket, 21 augustus 2015
Conclusie inzake
[verzoeker] (verzoeker tot cassatie)
1. [verzoeker] heeft 3 maart 2015 bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, nadat een derde verzocht had zijn faillissement uit te spreken. De rechtbank heeft het verzoek bij vonnis van 29 april 2015 niet- ontvankelijk verklaard, omdat een verklaring ex art. 285 lid 1 aanhef Pro en onder f Fw ontbrak. [verzoeker] had weliswaar een verklaring laten opstellen door zijn advocaat, maar die voldeed naar het oordeel van de rechtbank niet aan de vereisten van art. 285, lid 1 aanhef en onder f Fw.
2. Op 6 mei 2015 is [verzoeker] tegen het niet-ontvankelijkheidsoordeel van de rechtbank in hoger beroep gekomen, omdat het ontbreken van de vereiste verklaring niet aan hem te wijten is.
3. Bij arrest van 16 juni 2015 bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank. Het hof overweegt onder andere dat hem tijdens de zitting is gebleken dat de door de advocaat van [verzoeker] opgestelde bijlage niet voldeed aan art. 285, lid 1 aanhef en onder f Fw. Dat deed het hof niet zelf kunnen constateren, omdat het verzoekschrift zoals dat in eerste aanleg is ingediend niet door [verzoeker] is overgelegd, maar uit hetgeen ter zitting daarover door de advocaat is verklaard kan volgens het hof geen andere conclusie getrokken worden dan dat de verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldeed. [verzoeker] heeft dat ook volgens het hof niet betwist. In rov. 4.2. overweegt het hof nog het volgende:

“4.2 Uit de wel overgelegde stukken komt het beeld naar voren dat de Gemeentelijke Kredietbank geen adequate - dat wil zeggen correct en voortvarend - medewerking heeft verleend aan [verzoeker] bij het schuldhulptraject, hetgeen (in beginsel) wel de taak is van deze instantie. Op onjuiste grond heeft deze instantie aanvankelijk iedere inspanning afgewezen. In het midden moet blijven wat deze opstelling zou hebben betekend voor de beoordeling van een verzoek tot aanhouding bij de behandeling van het faillissementsverzoek, want een dergelijk verzoek is niet gedaan. Niet uitgesloten kan echter worden dat de rechtbank daarin zou zijn meegegaan, te meer omdat het hof is gebleken dat op het faillissementsverzoek ook thans nog niet is beslist zodat er kennelijk weinig urgentie was daarop onverwijld te beslissen. Hoewel ook is gebleken dat het schuldhulptraject bij de Gemeentelijke Kredietbank nadien toch is gestart, is dat voor de beoordeling van het voorliggende beroep op de beslissing van de rechtbank niet relevant. Het is aan de rechtbank om desverzocht - zo daartoe nog een mogelijkheid is - te beoordelen of er aanleiding is om [verzoeker] alsnog in de gelegenheid te stellen het traject bij de Gemeentelijke Kredietbank volledig te doorlopen en daartoe de beslissing op het verzoek tot faillietverklaring nader aan te houden”.

4. Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] op 24 juni 2015 cassatieberoep aangetekend.
5. [verzoeker] heeft een cassatiemiddel ingediend dat uit één onderdeel bestaat. Hierin wordt aangevoerd dat de advocaat van [verzoeker] gehinderd werd door het feit dat hij van de rechtbank niet bijtijds het gehele procesdossier in eerste aanleg kreeg, het falen van de Kredietbank niet aan [verzoeker] kan worden toegerekend en het hof de desbetreffende verklaring van de advocaat niet zelf heeft gezien, maar zijn oordeel over die verklaring heeft gebaseerd op een de auditu-verklaring. Daarbij is het niet juist dat het hof aan [verzoeker] geen termijn van een maand heeft gegund om de vereiste gegevens alsnog te verstrekken. Het middel is mijn inziens ongegrond. Het oordeel van het hof dat een verzoek tot schuldsanering niet ontvankelijk is zonder de door art. 285, lid 1 aanhef en onder f Fw is juist. Van de omstandigheid dat dit oordeel voor [verzoeker] gezien de bijzondere omstandigheden die zich in dit geval voordoen bezwaarlijk is, heeft het hof zich uitvoerig rekenschap gegeven in rov. 4.2. Hierin heeft het hof een weg in de laatste zin van die overweging aangeduid die de rechtbank zou kunnen volgen om [verzoeker] alsnog tegemoet te komen. Voor zover het hof de bevoegdheid heeft om de gegevens van art. 285, lid 1 Fw aan te vullen (zie art. 287, lid 2 Fw), gaat het hier om een discretionaire bevoegdheid. Over de al dan niet uitoefening daarvan kan in cassatie niet met succes worden geklaagd. Daarbij komt dat als het hof bevoegd zijn om een hersteltermijn te geven, het niet onbegrijpelijk is dat het hof deze niet heeft gegeven, omdat het hof in rov. 4.2 op een andere herstelmogelijkheid heeft gewezen. Dat het hof tijdens de zitting geprobeerd heeft de inhoud van de verklaring van de advocaat met de hulp van de advocaat te reconstrueren, geeft er blijk van dat het hof soepel wilde optreden en kan het hof niet worden aangerekend. Het hof stelt ook uitdrukkelijk vast dat [verzoeker] tijdens deze gang van zaken geen bezwaar heeft gemaakt. Al met al meen ik dat het cassatieberoep dient te falen.
6. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieverzoek.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden