ECLI:NL:PHR:2015:215

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2015
Publicatiedatum
17 maart 2015
Zaaknummer
13/05531
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 94 SvArt. 552a SvArt. 3:86 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering teruggave gestolen auto aan koper van particuliere verkoper

De Rechtbank Midden-Nederland verklaarde het klaagschrift van klager, strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen Volkswagen Golf, ongegrond. De auto bleek gestolen te zijn en voorzien van gestolen kentekenplaten. Klager had de auto gekocht van een particulier op de openbare weg en deed aangifte van oplichting.

Klager stelde dat hij te goeder trouw was en dat het belang van strafvordering zich niet langer verzette tegen teruggave. De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering mogelijk niet meer tegen teruggave verzette, maar dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende moest worden beschouwd, namelijk de oorspronkelijke eigenaar van de gestolen auto.

De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast, waarbij zij het civielrechtelijke aspect van eigendom en rechthebbende had betrokken zonder in te gaan op de burgerrechtelijke eigendomsvraag. Het beroep van klager werd verworpen omdat hij geen beroep kon doen op de consumentenbescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW Pro, aangezien hij de auto niet van een erkende autohandelaar maar van een particulier had gekocht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de teruggave van de gestolen auto aan klager wordt geweigerd.

Conclusie

Nr. 13/05531B
Mr. Harteveld
Zitting 20 januari 2015
Conclusie inzake:
[klager]
1. De Rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, heeft op 15 oktober 2013 het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klager van een inbeslaggenomen personenauto, een Volkswagen Golf, met bijbehorende autopapieren en autosleutels, ongegrond verklaard.
2. Namens klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
middelklaagt dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag, althans dat zij de ongegrondverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen:
“De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. onder klager is op 29 april 2013 in beslag genomen: een personenauto, merk Volkswagen, type Golf GTI, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], benevens autopapieren en autosleutels;
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;
3. klager heeft de auto op 19 april 2013 via Marktplaats gekocht van een particulier op de openbare weg.
4. Bij controle door de politie bleek dat aan klager een kentekenbewijs is afgegeven dat hoort bij een Volkswagen Golf met kenteken [BB-00-BB], welke auto sinds 31 maart 2013 als gestolen is opgegeven en blijkt te zijn gestolen op 21 maart 2013 in Rotterdam. Bij controle van het voertuigidentificatienummer (VIN) van de auto, bleek dat dit nummer hoort bij de gestolen auto. De auto bleek te zijn voorzien van gestolen kentekenplaten.
4. klager heeft aangifte gedaan van oplichting.

Overwegingen

Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen en als dit niet het geval is, of een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv Pro is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak.
De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat haar cliënt zeer geschokt is door hetgeen hem is overkomen omdat hij alles in het werk heeft gesteld om te voorkomen dat hij een auto zou kopen waarmee strafrechtelijk gezien iets aan de hand zou zijn. Daarnaast is er bij de stukken geen aangifte van diefstal van de auto en geen opeisende rechthebbende, redenen om de auto terug te geven aan haar cliënt.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave aan klager en daartoe aangevoerd dat klager geen geslaagd beroep kan doen op artikel 3:86 lid 3 sub a BW Pro. Dit artikel houdt in dat indien de verkrijger van een voertuig bij de aankoop te goeder trouw was, hij het goed niet om niet heeft verkregen en heeft verkregen van een vervreemder (niet zijnde een veilighouder) die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bijbehorende grond en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde, de oorspronkelijk eigenaar niet meer het recht heeft om het voertuig op te eisen.
Nu klager echter het voertuig aan de openbare weg heeft gekocht, ontbreekt het laatst genoemde criterium en dient het beklag ongegrond te worden verklaard.
Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval wellicht niet meer verzet tegen de teruggave van de auto maar gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden moet een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende worden beschouwd, zodat teruggave aan klager niet aan de orde is. Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
-
verklaart het beklag ongegrond.”
3.3.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Bij de beantwoording van deze vraag mag de rechter niet treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar dient hij daarbij wel de civielrechtelijke aspecten te betrekken. [1]
3.4.1.
De Rechtbank heeft blijkens haar hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen - mijns inziens niet onbegrijpelijk - uit het door de officier van justitie aangevoerde afgeleid dat daarin besloten ligt dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto met toebehoren verzet. [2] De Rechtbank heeft zich dus expliciet uitgelaten over het belang van strafvordering. Voor zover het middel klaagt dat de Rechtbank zich ten onrechte niet over die vraag heeft uitgelaten, mist het feitelijke grondslag.
3.4.2.
Vervolgens heeft de Rechtbank zich gebogen over de vraag of klager, die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen kan worden aangemerkt. Die vraag heeft zij ontkennend beantwoord. Haar oordeel dienaangaande is gebaseerd op de door de officier van justitie in raadkamer naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. In de beschikking onder de kop ‘overwegingen’ (zie hiervoor de weergave onder 3.2) verwijst de Rechtbank ook met zoveel woorden naar hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, wier betoog zij heeft samengevat in een eerdere alinea. Kort gezegd en in mijn woorden komt het oordeel van de Rechtbank erop neer dat klager, nog daargelaten of hij al dan niet te goeder trouw is geweest, geen geslaagd beroep kan doen op de consumentenbescherming ex art. 3:86, nu het in casu een gestolen auto betreft, die door de klager is gekocht van een particulier aan de openbare weg en niet van een erkende autohandelaar. [3] De Rechtbank heeft daarmee tot uitdrukking willen brengen dat niet de klager, maar de oorspronkelijke eigenaar van wie de auto is gestolen en die een sterker recht heeft, [4] redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en naar de eis der wet met redenen omkleed. Aan het vorenstaande doet niet af dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld wie de oorspronkelijke eigenaar van de auto is. Gelet op het voorgaande heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd en is de ongegrondverklaring van het beklag niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, m.nt. Mevis, rov. 2.12-2.13.
2.De officier van justitie heeft zich in raadkamer niet uitdrukkelijk uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vorderde. In het systeem van de wet ligt besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen..
3.Art. 3:86, derde lid, aanhef en onder a BW, luidt:
4.Onder voornoemde omstandigheden wordt klager niet beschermd tegen de revindicatoire actie van de rechthebbende, mits deze binnen drie jaar na het bezitsverlies is ingesteld.