ECLI:NL:PHR:2015:2207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker en zijn echtgenote hebben bij de rechtbank verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van ruim € 514.000, waaronder een schuld aan de belastingdienst. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van de schulden. Het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel en verwierp het hoger beroep van verzoeker. Het hof vond dat verzoeker lichtvaardig had gehandeld door als vennoot toe te treden tot een vennootschap zonder zicht te hebben op de financiële situatie en administratie, terwijl grote schulden ontstonden.
Verzoeker stelde in cassatie dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de taakverdeling binnen de vennootschap, waarbij hij verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering en zijn dochter voor de administratie. Ook voerde hij aan dat het hof ten onrechte had aangenomen dat hij voorafgaand aan toetreding zicht had moeten krijgen op de schuldpositie, terwijl de schulden pas later ontstonden. Daarnaast stelde verzoeker dat het hof de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro had moeten toepassen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat verzoeker niet te goeder trouw was en dat het beroep op taakverdeling niet tot een ander oordeel leidde. Het hof had ook niet onjuist geoordeeld dat verzoeker voorafgaand aan toetreding zicht had moeten hebben op de financiële situatie. Het beroep op de hardheidsclausule was niet aannemelijk gemaakt en hoefde niet ambtshalve te worden toegepast. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling blijft in stand.