Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
grief 1bestrijdt de curator dat [eiser] erin is geslaagd aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. De grief slaagt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Groothandel in bouwmaterialen verkeert in zwaar weertoegevoegd (productie 11 bij de memorie van antwoord); deze productie ter onderbouwing van zijn stelling dat het omzetniveau in de branche met de kredietcrisis flink is gedaald en dat in 2010 als gevolg daarvan 120 groothandelaren failliet zijn gegaan (MvA onder 14).
grief 2geen bespreking. Hetzelfde geldt voor de
grieven 3 t/m 9, waarmee de curator opkomt tegen de hiervoor onder 3.6 weergegeven beslissing van de rechtbank en die mitsdien voorwaardelijk zijn aangevoerd, namelijk voor het geval van verwerping van de grieven 1 en/of 2 (MvG onder 53), welk geval zich niet voordoet.
waarop de curator gemeend heeft het faillissement te moeten afwikkelen. De gestelde onregelmatigheden zijn in het licht van de gemotiveerde betwisting van de curator niet komen vast te staan en met het voorgaande is gebleken dat de curator met zijn aansprakelijkstelling en conservatoire maatregelen op goede grond heeft gehandeld. Het hof ziet geen termen voor matiging, laat staan tot nihil.
3.Bespreking van de middelen
onderdeel1 betoogt [eiser] - kort gezegd - dat het Hof te hoge eisen heeft gesteld aan zijn stelplicht. De klachten van het onderdeel moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen in het arrest HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773, NJ 2008/91 (Blue Tomato) [6] is overwogen:
onder 1a en 1cmoeten op die grond stranden.
Onder 1dziet [eiser] er aan voorbij dat het Hof bij deze stand van zaken niet toekwam aan de vraag i) of [eiser] naar aanleiding van het verwijt van de curator dat hij heeft nagelaten het intreden van de gestelde van buiten komende (mede)oorzaken te voorkomen voldoende heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat dit nalaten géén onbehoorlijke taakvervulling opleverde, en (ii) of de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW Pro voldoende had gesteld en aannemelijk gemaakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling nochtans mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Anders dan [eiser]
onder 1baanneemt, impliceert ’s Hofs oordeel tot slot niet dat hij zijn stellingen door middel van (volledige) bewijslevering aannemelijk had moeten maken. Zijn klachten missen in zoverre dan ook feitelijke grondslag.
onderdeel 2bestrijdt [eiser] het oordeel dat hij niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] zijn geweest.
onder 2.1.a en 2.1.bwordt aangedragen, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft blijkens rov. 3.9 onderkend dat [eiser] feiten en omstandigheden heeft genoemd die in zijn visie niet alleen afzonderlijk, maar ook in samenhang bezien de oorzaak van het faillissement zijn geweest. Aan de beantwoording van de vraag of de aangevoerde feiten en omstandigheden in samenhang bezien de oorzaak van het faillissement zijn geweest, kwam het Hof eenvoudigweg niet toe, omdat [eiser] naar ‘s Hofs oordeel ten aanzien van geen van de aangevoerde feiten en omstandigheden aan zijn stelplicht heeft voldaan.
onder 2.2.ategen rov. 3.10 en 3.11 opgeworpen motiveringsklachten worden m.i. tevergeefs voorgesteld. Voor zover [eiser] klaagt dat hij zijn eerste stelling - het faillissement is mede het gevolg geweest van de kredietcrisis met als gevolg een dramatische terugval in omzet - niet enkel heeft onderbouwd met CBS-overzichten en een publicatie van het CBS, maar tevens heeft verwezen naar de jaarcijfers van [A] en de in dagvaarding genoemde omzetcijfers, [7] ziet hij voorbij aan de essentie van ’s Hofs oordeel. Het gaat erom dat hij zich heeft beperkt tot algemeenheden. [eiser] heeft niet onderbouwd dat de terugval in omzet een gevolg is van de kredietcrisis. Evenmin heeft hij concreet gemaakt dat en in hoeverre er een oorzakelijk verband is met het faillissement. Hetzelfde geldt voor de stelling dat hij en zijn bedrijf blijkens het boekenonderzoek en het rapport van de belastingdienst ‘de dupe zijn geworden van de economische crisis en het feit dat de banken geen krediet (meer) willen verstrekken’ [8] en de stelling dat ook de curator niet uitsluit dat de economische crisis een rol kan hebben gespeeld bij de terugloop van orders. [9] Op de kwestie van de kredietverstrekking is het Hof overigens nog nader ingegaan in rov. 3.12, welke overweging hier niet wordt bestreden.
onder 2.2.bmoeten eveneens falen. Voor zover de klachten berusten op de veronderstelling dat het Hof heeft geoordeeld dat de gestelde toenemende afhankelijkheid van kredietverstrekkers en beëindiging van de bestaande kredietfaciliteit inherent zijn aan een (naderend) faillissement, missen zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft slechts overwogen dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat deze omstandigheden een zelfstandige oorzaak van het faillissement zijn geweest, omdat zij evengoed als inherent aan (onvermijdelijk gevolg van) een naderend faillissement (de werkelijke oorzaak)
kunnenworden beschouwd. Daaruit volgt ook dat de klachten tevens feitelijke grondslag missen voor zover zij veronderstellen dat in ’s Hofs oordeel besloten ligt dat tussen de gestelde omstandigheden en het (naderend) faillissement causaal verband bestaat. [eiser] miskent voorts dat uit de overweging dat de gestelde omstandigheden kunnen worden beschouwd als omstandigheden die inherent zijn aan een (naderend) faillissement een causaal verband volgt dat invers is aan het hier vereiste causaal verband; niet het faillissement is het gevolg van de gestelde toenemende afhankelijkheid van kredietverstrekkers en beëindiging van de bestaande kredietfaciliteit, maar deze beide omstandigheden zijn een gevolg van het (naderend) faillissement. Tot slot berusten de klachten op een verkeerde lezing, waar [eiser] aanneemt dat het Hof heeft geoordeeld dat omtrent voornoemde omstandigheden onvoldoende is gesteld. ’s Hofs oordeel houdt in dat geen verdere toelichting en onderbouwing is gegeven van de stelling dat deze omstandigheden een oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat is iets anders. Een dergelijke toelichting en onderbouwing kan op de in cassatie genoemde vindplaatsen ook niet worden gevonden. [10]
onder 2.2.cberust eveneens op een onjuiste lezing van ’s Hofs arrest. Het Hof heeft de door [eiser] gestelde prijsstijgingen bij de Italiaanse leverancier en de opkomst van concurrentie uit China wel in zijn beoordeling betrokken. Beide omstandigheden worden door het Hof in rov. 3.9 als tweede feit/omstandigheid onder het tweede aandachtsstreepje weergegeven. In rov. 3.10 en 3.11 behandelt het Hof vervolgens ‘de twee eerstbedoelde feiten en/of omstandigheden’. Deze overwegingen zien derhalve op de onder het eerste aandachtsstreepje genoemde kredietcrisis met dramatische terugval in omzet en de onder het tweede aandachtsstreepje gestelde prijsstijgingen en concurrentie. [11]
onder 2.2.dgeformuleerde klachten tegen rov. 3.13 treffen evenmin doel. De door [eiser] in cassatie aangehaalde stellingen in zijn mvg onder 17 voegen niets wezenlijks toe aan hetgeen in eerste aanleg in zijn cva onder 69 is gesteld, naar welke passage het Hof uitdrukkelijk heeft verwezen. In het licht van de stellingen van [eiser] in feitelijke aanleg is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen vaststellen dat en in welke mate sprake is geweest van een oorzakelijk verband tussen de juridische geschillen in kwestie en het faillissement.
onder 2.3bouwt voort op de voorgaande onderdelen en moet het lot daarvan delen. ’s Hofs slotsom in rov. 3.14 dat [eiser] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest, is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd.
onder 3adat het Hof heeft miskend dat tegenbewijs vrijstaat, dan wel dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet gespecificeerd hoeft te worden. Hij ziet daarmee eraan voorbij dat het Hof zijn bewijsaanbiedingen - voor zover überhaupt al sprake is van rechtens relevante bewijsaanbiedingen - heeft gepasseerd omdat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Dat niet aan de stelplicht is voldaan, wordt hier door [eiser] niet bestreden. ’s Hofs beslissing om de bewijsaanbiedingen op die grond te passeren geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechter hoeft een partij die te weinig heeft gesteld in het kader van haar verweer niet toe te laten tot tegenbewijs. [12]
onder 3cis aangevoerd slaagt niet. Anders dan [eiser] mogelijk veronderstelt, brengt art. 21 Rv Pro niet mee dat een curator in gevallen als het onderhavige steeds de volledige administratie moet overleggen. Gesteld noch gebleken is dat de curator de voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat het Hof heeft miskend dat de curator op grond van het bepaalde in art. 21 Rv Pro gehouden was tot een juiste en volledige voorlichting. Overigens is ook onduidelijk wat [eiser] met zijn klacht beoogt te bereiken. Voor zover hij meent dat het Hof consequenties had moeten verbinden aan een beweerdelijke schending van voornoemde verplichting, ziet [eiser] eraan voorbij dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid. In cassatie kan niet met succes erover worden geklaagd dat de rechter heeft nagelaten om consequenties aan een gestelde schending te verbinden. [14]