ECLI:NL:PHR:2015:2224

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2015
Publicatiedatum
9 november 2015
Zaaknummer
15/04547
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

De Rechtbank Rotterdam wees het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af omdat een openstaande boete van het CJIB betrekking had op een schadevergoedingsmaatregel, waardoor de schuld niet te goeder trouw was ontstaan. Tevens werden geen feiten of omstandigheden voldoende aannemelijk geacht die toelating ondanks het ontbreken van goede trouw rechtvaardigen.

Het gerechtshof Den Haag bekrachtigde dit oordeel en stelde vast dat verzoekers niet te goeder trouw waren in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof constateerde consumptieve schulden en schulden die verband hielden met een wietplantage, die toelating tot schuldsanering in de weg stonden. De hardheidsclausule werd afgewezen omdat de positieve gedragsverandering onvoldoende was om nu al tot toelating over te gaan.

In cassatie werden de klachten van verzoekers verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk had gemotiveerd waarom de feiten en omstandigheden onvoldoende waren om toelating te rechtvaardigen en dat de beoordeling van de positieve gedragswending een feitelijke afweging betrof die niet onbegrijpelijk was. De klachten konden niet tot cassatie leiden.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van goede trouw.

Conclusie

15/04547
Mr. L. Timmerman
Zitting 30 oktober 2015
Conclusie inzake:
[verzoekster 1] en [verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie,
(hierna: ‘[verzoekers]’),
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 16 juli 2015 het door [verzoekers] op 20 april 2015 ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Aangezien is gebleken dat sprake is van een openstaande boete aan het CJIB van € 12.822,74 die betrekking heeft op een schadevergoedingsmaatregel, is sprake van een schuld die naar zijn aard niet te goeder trouw is ontstaan en is aan bovengenoemd criterium niet voldaan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat feiten of omstandigheden die - ondanks het ontbreken van de goede trouw - toelating rechtvaardigen, niet voldoende aannemelijk zijn geworden.
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 29 september 2015. Het Hof heeft daartoe overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekers] te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw, aangezien de schuld aan het CJIB naar zijn aard niet te goeder trouw is ontstaan. Het Hof heeft verder vastgesteld dat voor het overige sprake is van consumptieve schulden, die naar het oordeel van het Hof samenhangen met overbesteding, en van schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, waaronder een schuld aan de verhuurder in verband met een wietplantage. Ook deze schulden staan naar het oordeel van het Hof aan de toelating tot schuldsanering in de weg. Ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro overweegt het Hof dat de omstandigheid dat zich ten aanzien van [verzoekers] een wending ten goede heeft voorgedaan in weerwil van het voorgaande onvoldoende is om hun nu al toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
3. [verzoekers] zijn van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. In
middel 1wordt betoogd dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten om in te gaan op de grief dat er ondanks het ontbreken van goede trouw feiten en omstandigheden zijn die toelating tot de schuldsanering rechtvaardigen. Dit middel kan vanwege feitelijke onjuistheid niet tot cassatie leiden. Anders dan in het middel wordt betoogd is het Hof immers wel ingegaan op de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die, ondanks het ontbreken van de goede trouw, toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Het Hof heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet, dan wel onvoldoende, aanwezig geacht, hetgeen een feitelijk oordeel betreft dat geenszins onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd. Voor zover [verzoekers] betogen dat het Hof had moeten ingaan op de vraag of het levensloopverhaal van [verzoekers] tot een ander oordeel zou moeten leiden, kan dit evenmin tot cassatie leiden. In de eerste plaats hebben [verzoekers] in hun grieven geen uitdrukkelijk beroep gedaan op deze stelling. In de tweede plaats is de stelling dat het Hof hierop niet is ingegaan onjuist. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen in de motivering ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule blijkt immers dat het levensverhaal van [verzoekers] in het oordeel is betrokken.
4.
Middel 2klaagt erover dat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat zich ten aanzien van [verzoekers] een wending ten goede heeft voorgedaan er niet toe leidt dat het verzoek wordt toegewezen. Uit hetgeen het Hof daaromtrent heeft overwogen blijkt dat zij van oordeel is dat de omstandigheid dat [verzoekers] sinds 2011 geen drugs meer gebruiken, onder budgetbeheer staan, hun maandelijkse lasten voldoen en beiden op zoek zijn naar werk, in weerwil van de eerdergenoemde omstandigheden onvoldoende is om [verzoekers] nu al toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Met de bewoordingen ‘in weerwil van de eerdergenoemde omstandigheden’ wordt verwezen naar hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de aard van de aangegane schulden. De afweging die het Hof hierbij op grond van alle feiten en omstandigheden heeft gemaakt is klaarblijkelijk in het nadeel van [verzoekers] uitgevallen. Deze kan volgens het Hof in de toekomst anders uitvallen, indien de ingezette beweging bestendig blijkt. Het betreft hier een feitelijke afweging die in cassatie niet met succes kan worden bestreden. Van een motiveringsgebrek is geenszins sprake. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G