Conclusie
middel 1wordt betoogd dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten om in te gaan op de grief dat er ondanks het ontbreken van goede trouw feiten en omstandigheden zijn die toelating tot de schuldsanering rechtvaardigen. Dit middel kan vanwege feitelijke onjuistheid niet tot cassatie leiden. Anders dan in het middel wordt betoogd is het Hof immers wel ingegaan op de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die, ondanks het ontbreken van de goede trouw, toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Het Hof heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet, dan wel onvoldoende, aanwezig geacht, hetgeen een feitelijk oordeel betreft dat geenszins onbegrijpelijk of ontoereikend is gemotiveerd. Voor zover [verzoekers] betogen dat het Hof had moeten ingaan op de vraag of het levensloopverhaal van [verzoekers] tot een ander oordeel zou moeten leiden, kan dit evenmin tot cassatie leiden. In de eerste plaats hebben [verzoekers] in hun grieven geen uitdrukkelijk beroep gedaan op deze stelling. In de tweede plaats is de stelling dat het Hof hierop niet is ingegaan onjuist. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen in de motivering ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule blijkt immers dat het levensverhaal van [verzoekers] in het oordeel is betrokken.
Middel 2klaagt erover dat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat zich ten aanzien van [verzoekers] een wending ten goede heeft voorgedaan er niet toe leidt dat het verzoek wordt toegewezen. Uit hetgeen het Hof daaromtrent heeft overwogen blijkt dat zij van oordeel is dat de omstandigheid dat [verzoekers] sinds 2011 geen drugs meer gebruiken, onder budgetbeheer staan, hun maandelijkse lasten voldoen en beiden op zoek zijn naar werk, in weerwil van de eerdergenoemde omstandigheden onvoldoende is om [verzoekers] nu al toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Met de bewoordingen ‘in weerwil van de eerdergenoemde omstandigheden’ wordt verwezen naar hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de aard van de aangegane schulden. De afweging die het Hof hierbij op grond van alle feiten en omstandigheden heeft gemaakt is klaarblijkelijk in het nadeel van [verzoekers] uitgevallen. Deze kan volgens het Hof in de toekomst anders uitvallen, indien de ingezette beweging bestendig blijkt. Het betreft hier een feitelijke afweging die in cassatie niet met succes kan worden bestreden. Van een motiveringsgebrek is geenszins sprake. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.