ECLI:NL:PHR:2015:2225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieverzoek wegens ontbreken advocaatsondertekening
In deze zaak heeft de verzoeker tot cassatie op 7 oktober een verzoekschrift ingediend tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 29 september 2015. Bij controle van de lijst van cassatieadvocaten is vastgesteld dat de verzoeker niet voorkomt op deze lijst, hetgeen betekent dat hij niet bevoegd is om zelfstandig een cassatieverzoek in te dienen bij de Hoge Raad.
Op grond van artikel 426a lid 1 Rv dient een verzoekschrift tot cassatie te worden ondertekend door een advocaat die is ingeschreven bij de Hoge Raad. Het ontbreken van een dergelijke ondertekening leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek. De procureur-generaal heeft daarom geconcludeerd dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieverzoek niet-ontvankelijk, waardoor het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. Hiermee wordt de procedure beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van het geschil.
Uitkomst: Het cassatieverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.