Conclusie
Onderdeel 1klaagt erover dat het Hof in rov. 4 en 5 ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aan de schuldsaneringsregeling verbonden verplichtingen, in het bijzonder van zijn informatie- en afdrachtverplichting, door een onvoldoende actieve houding te tonen ten aanzien van de informatieverzoeken van de bewindvoerder. Het onderdeel voert daartoe aan, dat het Hof met dit oordeel kennelijk heeft miskend, dat [verzoeker] in zijn beroepschrift heeft aangevoerd dat hem geen verwijt treft van de niet-nakoming van deze verplichtingen, aangezien uit de motivering van het Hof niet blijkt dat het deze stellingname van [verzoeker] in zijn beoordeling heeft betrokken.
Onderdeel 2herhaalt de door [verzoeker] in zijn hoger beroepschrift aangevoerde grief, dat het [verzoeker] ten onrechte wordt aangerekend dat het voor zijn bewindvoerder niet mogelijk is gebleken de juiste stand van de boedel te berekenen.