De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens mishandeling van zijn echtgenote. Na een bevel tot voorlopige hechtenis werd hij bij de politierechter veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Tegen dit vonnis stelde een kantoorgenoot van de raadsman tijdig hoger beroep in. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep verscheen de verdachte noch een raadsman, waarna het hof verstek verleende en de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 41, eerste lid onder b, Sv, aan een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen ambtshalve een raadsman moet worden toegevoegd bij hoger beroep. Hoewel de voorlopige hechtenis direct na het bevel was geschorst, doet dit niet af aan de verplichting tot toevoeging. Uit de processtukken blijkt dat in hoger beroep geen raadsman is gesteld en ook geen ambtshalve toevoeging heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad stelt dat het voorschrift van art. 41, eerste lid onder b, Sv van zodanig belang is dat het niet-naleven daarvan de geldige behandeling van de zaak in hoger beroep in de weg staat. Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en wordt de zaak terugverwezen voor berechting door het hof of een ander hof. De tweede klacht behoeft geen bespreking meer.