ECLI:NL:PHR:2015:2270

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2015
Publicatiedatum
17 november 2015
Zaaknummer
14/05356
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 SvArt. 588 SvArt. 265 SvArt. 370 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving dagvaardingstermijn in hoger beroep wildplassen

De verdachte werd door de kantonrechter veroordeeld tot een geldboete van €120,- te vervangen door twee dagen hechtenis wegens wildplassen. Het hof Amsterdam verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep. De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad onderzocht drie middelen van cassatie. Het eerste middel betrof de vraag of de kantonrechter het onderzoek had moeten schorsen vanwege vermeende detentie van de verdachte op de zittingsdatum, hetgeen niet het geval bleek. Het tweede middel klaagde over het niet toezenden van de appeldagvaarding aan het juiste adres, maar uit stukken bleek dat deze wel degelijk naar het opgegeven adres was verzonden.

Het derde middel stelde dat de dagvaardingstermijn van tien dagen, voorgeschreven in art. 413 Sv Pro, niet was nageleefd omdat de dagvaarding pas op 2 juli 2014 was betekend voor een zitting op 9 juli 2014. Het hof had het onderzoek moeten schorsen maar deed dit niet en vervolgde het onderzoek bij verstek. Dit verzuim leidde tot nietigheid van het onderzoek en vernietiging van het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 14/05356
Zitting: 22 september 2015
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 9 juli 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 april 2013 waarbij de verdachte ter zake van
“wildplassen”is veroordeeld tot een geldboete van € 120,- te vervangen door twee dagen hechtenis.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/05353 tegen dezelfde verdachte. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Door de verdachte is cassatie ingesteld. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
4. Het
eerste middelklaagt dat de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de kantonrechter het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
5. Het middel berust op de veronderstelling dat de verdachte uit anderen hoofde gedetineerd was op de dag van de terechtzitting van de kantonrechter, 23 april 2013, en dat de kantonrechter daarom het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen. Inderdaad vermeldt het proces-verbaal dat van die terechtzitting is opgemaakt als adres van de verdachte “
thans gedetineerd in/bij: P.I. Noord Holland Noord – HvB Zwaag”.
6. Uit de op naam van de verdachte gestelde TULP/MIR registratiekaart blijkt echter dat de verdachte op 23 april 2013 niet was gedetineerd. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de vermelding van het detentieadres in het proces-verbaal van de terechtzitting van de kantonrechter op een vergissing berust. Hierdoor komt in zoverre de grondslag aan het middel te ontvallen.
7. Voor de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2014 gelden analoge beschouwingen. Weliswaar vermeldt het proces-verbaal van die zitting dat de verdachte uit andere hoofde is gedetineerd, vervolgens vermeldt het proces-verbaal dat bij een inzage in de strafrechtsketendatabank (SKDB) is gebleken dat de verdachte op de dag van de terechtzitting
nietin een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef. Het daarvan - dienovereenkomstig - opgemaakte formulier bevindt zich bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte op de dag van de terechtzitting niet was gedetineerd is dus (ook zonder nadere motivering) niet-onbegrijpelijk.
8. Het middel faalt op feitelijke gronden.
9. Het
tweede middelklaagt dat geen afschrift van de appeldagvaarding is toegezonden aan het adres dat de verdachte had opgegeven bij het instellen van hoger beroep, zodat het hof de terechtzitting had moeten schorsen.
10. In de toelichting wordt aangevoerd dat het afschrift van de dagvaarding niet is verzonden naar het adres IJsbaanpad 9 te Amsterdam. Bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een akte van uitreiking die is gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep alsmede het voor de raadsman bestemde exemplaar waarop met de hand is geschreven "
1A”. [1] Uit de akte blijkt dat op 1 juli 2014 een afschrift van de appeldagvaarding is toegezonden aan IJsbaanpad 9, 1076 CV Amsterdam dat op het dubbel van deze dagvaarding is vermeld. Dit is het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij het instellen van hoger beroep, zoals is bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv.
11. Het middel mist feitelijke grondslag en faalt daarom.
12. Het
derde middelklaagt dat de dagvaardingstermijn die is voorgeschreven in art. 413 Sv Pro niet is nagekomen zodat het hof de terechtzitting van het hof ten onrechte niet heeft geschorst.
13. Bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een akte van uitreiking die is gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep. Uit de akte blijkt dat de appeldagvaarding op 2 juli 2014 is betekend in overeenstemming met het bepaalde in art. 588, derde lid onder a, Sv. De dag ervoor was al een afschrift van de appeldagvaarding toegezonden aan IJsbaanpad 9, 1076 CV Amsterdam, dat de verdachte had opgegeven bij het instellen van hoger beroep (art. 588a, eerste lid onder c, Sv).
14. Hierbij is niet de termijn van tien dagen in acht genomen die is voorgeschreven in art. 413, eerste lid, Sv. Overigens geldt voor de behandeling van de zaak in hoger beroep door een enkelvoudige kamer geen kortere dagvaardingstermijn van drie dagen zoals bij de behandeling van de zaak door de politierechter. [2]
15. De stukken van het geding houden niets in waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de verdachte daar niet is verschenen. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413 Sv Pro in samenhang met art. 265, derde lid, Sv moeten schorsen. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert. [3]
16. Het middel is terecht voorgesteld.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Kennelijk om het te onderscheiden van het dubbel van de dagvaarding waarop een ander adres is vermeld, te weten [a-straat 1] te Amsterdam: op dat dubbel is met de hand geschreven “
2.Art. 370 Sv Pro is niet van overeenkomstige toepassing verklaard in art. 415 Sv Pro, terwijl in art. 413 Sv Pro een dagvaardingstermijn van tien dagen is voorgeschreven.
3.HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8878, r.o. 2.4.