Conclusie
NJ2013/6, m.nt. HJS in
NJ2013/7). Na verwijzing gaat het thans in cassatie om de vragen of het hof, in het kader van zijn beoordeling van een laatste geschilpunt tussen partijen, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, voorbij is gegaan aan essentiële stellingen en onvoldoende gemotiveerd een bewijsaanbod heeft gepasseerd.
De ondergetekenden(...)
Artikel 7
f1.560.000 bedragen, door zijn accountant nader te laten onderbouwen.
A-G) aangeven of er bij IGC B.V. of Embas B.V. verliezen zijn ontstaan in de periode van 6 december 1999 tot en met 30 juni 2000 uit de overname en opstart van activiteiten/activa Ru-Pro International B.V. en de verkoop en onderhoud van Ru-Pro producten en/of overname van personeel door IGC B.V. van International, waarbij te denken valt aan personeelskosten, waardedaling van de door Embas B.V. van Ru-Pro International overgenomen activa, verliezen door inkoop- verkoop- en beheerskosten? Zo ja tot welke bedragen zijn verliezen terzake geleden?”
(ƒ 1.940.896) en [eisers] veroordeeld om aan Ru-Pro een bedrag van € 389.844,39
(ƒ 859.104) te betalen. In reconventie is de voormelde door [eisers] gevorderde verklaring voor recht afgewezen.
NJ2009, 21, rechtsoverweging 4.2.4.
NJ2013/6 [7] heeft Uw Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat de eiswijziging door Ru-Pro plaatsvond naar aanleiding van de door het hof aan partijen voorgelegde vraag over eventuele nietigheid van de koopovereenkomst op de voet van art. 3:84 lid 3 BW Pro, geen uitzondering rechtvaardigt op de in beginsel strakke regel dat een verandering of vermeerdering van eis door de oorspronkelijk eiser in hoger beroep in beginsel niet later dan in zijn memorie van grieven of memorie van antwoord mag worden gedaan (zie rov. 4.1.3, HR).
(-Leeuwarden) [8] stond de vraag centraal naar de hoogte van het door [eisers] aan Ru-Pro te betalen bedrag uit hoofde van de afspraken betreffende de afrekening in verband met de verkoop van het bedrijfspand aan [betrokkene 1] . Deze afspraken komen erop neer dat van de koopprijs van ƒ 2,8 miljoen een bedrag van ƒ 1,8 miljoen aan [eisers] toekomt en dat van het surplus van ƒ 1 miljoen, naast belastingen en kosten van het transport, nog aan [eisers] toekomen de opstartverliezen in de omvang zoals bij onherroepelijke gerechtelijke uitspraak zal worden vastgesteld. [9] Genoemd bedrag van ƒ 1,8 miljoen, vermeerderd met de genoemde bedragen aan belastingen, kosten en opstartverliezen, vormen tezamen de terugkoopsom die Ru-Pro aan [eisers] verschuldigd zou zijn geweest bij uitoefening van het terugkooprecht. [10] Het verschil tussen de door [betrokkene 1] aan [eisers] betaalde koopsom en het door de rechter (onherroepelijk) vast te stellen bedrag aan terugkoopsom komt uiteindelijk aan Ru-Pro toe, zoveel is tussen partijen in confesso.
ƒ 676.383 (€ 306.929,22) komt aan Ru-Pro toe, aldus het hof (eindarrest van 11 maart 2014, rov. 2.13).
2.Beoordeling van het cassatieberoep
A-G) had moeten kijken” ongegrond is, aangezien partijen zich jegens elkaar hadden verplicht uitsluitend de administraties van IGC en Embas in aanmerking te nemen. Voorts is het onderdeel gericht tegen het daarop voortbouwende oordeel in rov. 2.13 dat voor zover de bevindingen van de door [eisers] ingeschakelde (partij)deskundige drs. Van Abeelen (Deloitte) zijn gebaseerd op andere administraties dan die van IGC en Embas , daartegen het bezwaar bestaat dat partijen jegens elkaar verplicht zijn om de kosten en verliezen, die de terugkoopprijs verhogen, aan de hand van de administraties van IGC en Embas vast te stellen.
nooit bezwaarheeft gemaakt tegen het feit dat in het rapport van drs. Van Abeelen (prod. 2 bij MvG) gebruik is gemaakt van gegevens uit de administratie van Carpeti B.V. ; integendeel, Ru-Pro heeft zelf ook verwezen naar de administratie van Carpeti in reactie op het rapport van Van Abeelen (verwezen wordt naar MvA nrs. 52-63 en prod. 3 en 4). Aldus zou het hof in strijd met art. 24 Rv Pro zijn beslissing hebben gebaseerd op een feitelijke grondslag die weliswaar uit de in het geding gebleken feiten en omstandigheden zou kunnen worden afgeleid, maar die niet daadwerkelijk is aangevoerd (verwezen wordt naar HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900,
NJ2005/92).
Ru-Pro, tegenover de (in het overleggen van het rapport van drs. Van Abeelen besloten liggende) stelling van [eisers] dat de berekening van de verliezen op Ru-Pro-activiteiten mede valt te baseren op de administratie van Carpeti B.V. ,
niet als verweer heeft aangevoerddat, in de woorden van het hof, partijen zich hebben verplicht om de omvang van de verliezen vast te stellen op basis van de administraties van (uitsluitend) IGC en Embas .
moeten(rov. 2.11, verwijt aan drs. Kats) respectievelijk
kunnen(rov. 2.13, uitgangspunt rapport drs. Van Abeelen) worden gebaseerd, zonder schending van art. 24 Rv Pro verwerpen op de grond dat partijen zich jegens elkaar hebben verplicht de verliezen vast te stellen op basis van (uitsluitend) de administraties van IGC en Embas . Daarvoor was een verweer van die strekking van de zijde van Ru-Pro niet vereist.
dat de administratie van Carpeti B.V. tot de administratie van Embas behoort, althans geacht wordt daartoe te behoren, faalt zij mijns inziens eveneens. Het onderdeel verwijst naar (i) een schematische weergave van de groepsstructuur van Embas in het rapport van drs. Van Abeelen/Deloitte (prod. 2 bij MvG, p. 4). Anders dan het onderdeel (nr. 18) suggereert, staat op die vindplaats niet vermeld dat Carpati een 100% dochter van Embas is waarvan de resultaten worden geconsolideerd in de jaarrekening van Embas . Voorts wordt verwezen naar (ii) de reactie van Ru-Pro op het rapport van Van Abeelen (MvA nrs. 52-63), en (iii) het puntsgewijze commentaar van (de heer Doggen van) Ru-Pro op dit rapport (prod. 3 en 4 bij MvA). Anders dan het onderdeel veronderstelt, behoefde het hof uit deze – deels in producties bij processtukken verscholen – vindplaatsen niet af te leiden dat zowel [eisers] als Ru-Pro ervan uitging dat de administratie van Carpeti B.V. tot die van Embas behoort. Dat wordt ook niet anders door het enkele cijfermatig commentaar van de heer Doggen (in prod. 4 bij MvA) op de hoogte van de weergegeven omzetten van ‘ IGC en Carpeti samen’. Tenslotte is van belang dat Ru-Pro steeds voorop heeft gesteld dat het rapport van Van Abeelen geen enkele waarde heeft en buiten beschouwing moet worden gelaten. [15]
in het geheelgeen bezwaren heeft aangevoerd tegen het onderzoek van drs. Kats, doch dat de stellingen van [eisers] op dit punt in onderbouwing tekortschieten, nu zij blijven steken in algemeenheden. [17] Uit zijn stellingen kon het hof eenvoudigweg niet opmaken tot welke
specifiekemanco’s de beweerde gebreken in de aanpak van drs. Kats hebben geleid, en op welke manier een alternatieve onderzoekmethode potentieel méér bewijs van verliezen en kosten zou kunnen opleveren. Dat het hof van [eisers] een concretere toelichting en meer specificiteit van kritiek op drs. Kats’ rapport verlangde, kan bij deze stand van zaken dan ook niet onbegrijpelijk worden genoemd.
specifiekeopzichten drs. Kats tekortgeschoten is, niet onbegrijpelijk.
om de vragen van de rechtbank te beantwoorden, aldus het onderdeel. [20]
bewijsthemaechter onverminderd de vraag in hoeverre uit de administraties van IGC en Embas van opstartverliezen blijkt.
de gegevensdie ter beschikking stonden van de benoemde deskundige genoegzaam waren om daar méér of andere conclusies aan te verbinden dan drs. Kats heeft gedaan. Het betreffende bewijsaanbod behelst in wezen een bezwaar jegens (de conclusies van) het deskundigenbericht van drs. Kats, dat erop neer komt dat de deskundige méér uit het hem ter beschikking staande materiaal had kunnen halen. Voor de door [eisers] te bewijzen verliezen doet dit verwijt aan het adres van de deskundige echter niet ter zake, zodat het hof het daaraan verbonden bewijsaanbod als irrelevant heeft kunnen passeren. [23]