Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1bklaagt dat in het geval dat het hof mocht hebben gemeend dat het ‘Erfolgsort’ niet in Nederland is gelegen, dat oordeel onbegrijpelijk en/of onjuist is.
Zuid-Chemieis bepaald dat het ‘Erfolgsort’ de plaats is waar de initiële schade is ingetreden bij het normale gebruik van het product voor het doel waarvoor het bestemd is. [18] In het arrest
Kainz/Pantherwerkestond de vaststelling van het ‘Handlungsort’ (de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis) centraal. [19] De Oostenrijker Kainz stelde de Duitse producent van een fiets, gekocht in Oostenrijk, aansprakelijk voor een ongeval dat plaatsvond in Duitsland wegens een gebrek aan de fiets. In deze situatie lag het ‘Erfolgsort’ in Duitsland, aangezien hier de zaakschade intrad door de valpartij. Het HvJEU bepaalde dat het ‘Handlungsort’ de plaats is waar het product is vervaardigd, hetgeen in deze zaak eveneens in Duitsland was gelegen.
subonderdeel 1aslaagt. In het bestreden arrest heeft het hof zich onbevoegd verklaard, omdat op grond van het arrest
Kainz/Pantherwerkehet ‘Handlungsort’ in Duitsland is gelegen, aangezien de tractor in Duitsland is gefabriceerd. Het oordeel dat het ‘Handlungsort’ in Duitsland is gelegen, laat onverlet dat het ter keuze van de eiser staat of hij de verweerder oproept voor de rechter van het 'Handlungsort’ of voor de rechter van het ‘Erfolgsort’. Uit het oordeel van het hof dat het ‘Handlungsort’ is gelegen in Duitsland, volgt dan ook niet dat de Duitse rechter ‘bij uitsluiting’ bevoegd is, zoals het hof in rov. 2.14 heeft overwogen. Van belang is waar in de onderhavige zaak het ‘Erfolgsort’ is gelegen. Aangezien de aanrijding heeft plaatsgevonden in Coevorden, is het ‘Erfolgsort’ in Nederland gelegen. Dit is de plaats waar de initiële schade is ingetreden. Deze uitkomst geldt, ongeacht of er in het concrete geval sprake is van productaansprakelijkheid of – in het algemeen – van onrechtmatige daad. Het feit dat Reaal voor de cessie een gelijk bedrag aan de (eventuele) vorderingen van NS en Prorail heeft betaald en in die zin niet zelf zaakschade heeft geleden, doet aan het voorgaande niet af. NS en Prorail hebben immers zaakschade geleden en Reaal is door de cessie in hun plaats getreden. De conclusie is dat de Nederlandse rechter op grond van art. 5 sub Pro 3 EEX-Vo bevoegd is, omdat het ‘Erfolgsort’ in Nederland is gelegen.
Kainz/Pantherwerkeeen ongeoorloofde verrassingsbeslissing heeft gegeven die niet met de eisen van een goede procesorde en/of het beginsel van hoor en wederhoor is te verenigen. Dit onderdeel behoeft geen bespreking, nu het eerste onderdeel (onder a) slaagt. Het gaat immers in de onderhavige zaak niet om het vaststellen van het ‘Handlungsort’ bij een geval van productaansprakelijkheid (waarop het arrest
Kainz/Pantherwerkebetrekking heeft), maar om de vaststelling dat het ‘Erfolgsort’ in Nederland is gelegen. Ten aanzien van die laatste vaststelling bestond vóór de afronding van het partijdebat duidelijkheid, zowel in het geval van onrechtmatige daad in het algemeen, als in het geval van productaansprakelijkheid. Ik voeg hieraan toe dat Uw Raad onlangs aan het HvJEU de vraag heeft gesteld of, in het geval de nationale rechter dient te beoordelen of hem in het voorliggende geval op grond van de EEX-Vo bevoegdheid toekomt, deze rechter gehouden is om bij zijn beoordeling uit te gaan van de in dit verband relevante stellingen van de eiser respectievelijk de verzoeker, dan wel dat die rechter gehouden is tevens acht te slaan op hetgeen de verweerder ter betwisting van die stellingen heeft aangevoerd. [20] In het onderhavige geval heeft het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn bevoegdheid te toetsen in het licht van de door de betrokken partijen verstrekte gegevens.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
eiseren de plaats van de aangezochte rechter. Daarnaast is niet vereist dat de rechter in elk afzonderlijk geval de veronderstelde nauwe band toetst. Een dergelijke toetsing zou strijdig zijn met de algemene doelstelling van de verordening dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar dienen te zijn. [24] Hierop stuit het onderdeel af.