In deze zaak staat de ontvankelijkheid centraal van een tweede hoger beroep dat binnen de appeltermijn is ingesteld na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het eerste hoger beroep. De huurovereenkomst tussen partijen betrof kantoorruimte en parkeerplaatsen, waarbij de huurder de huur niet tijdig betaalde en geen bankgarantie stelde, wat leidde tot ontbinding van de huurovereenkomst en diverse vorderingen van de verhuurder.
De eerste hoger beroepprocedure werd door het hof beëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van grieven. Vervolgens stelde de eiser binnen de appeltermijn een tweede hoger beroep in. Het hof verklaarde dit tweede hoger beroep niet-ontvankelijk, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug, stellende dat het tweede hoger beroep ontvankelijk kan zijn.
De Hoge Raad baseert zich op eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een tweede hoger beroep binnen de termijn mogelijk is, ook als het eerste hoger beroep niet is ingetrokken of niet-ontvankelijk is verklaard. Dit sluit aan bij het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de eisen van een goede procesorde. De niet-ontvankelijkverklaring van het eerste hoger beroep betekent immers geen inhoudelijke afwijzing, waardoor het vorderingsrecht blijft bestaan en opnieuw kan worden uitgeoefend.
De Hoge Raad benadrukt dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht door het instellen van het tweede hoger beroep binnen de termijn, en dat het eerdere niet-ontvankelijkverklaarde hoger beroep geen kracht van gewijsde heeft die het tweede hoger beroep in de weg staat. Hiermee wordt de mogelijkheid tot een inhoudelijke behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties gewaarborgd.