Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
grieven 1 tot en met 6in het principaal hoger beroep in zoverre terecht zijn voorgesteld.
grief 7ziet onder andere daarop) kan in het licht van het voorgaande in het midden blijven.
grief 8in principaal hoger beroep keert ABN Amro zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de door [eiser] gevorderde kosten van rechtsbijstand voor een bedrag van € 54.787,00 inclusief btw. Het betreft de kosten die [eiser] heeft gemaakt tot en met het indienen van de memorie van repliek in de klachtprocedure bij het Kifid. ABN Amro meent dat de kosten van de klachtprocedure niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
grieven A en Bin incidenteel hoger beroep beoogt [eiser] een hogere schadevergoeding te verkrijgen dan door de rechtbank aan hem is toegekend. Nu het hof van oordeel is dat ABN Amro niet tot schadevergoeding is gehouden, zijn deze grieven tevergeefs voorgesteld.
Grief Cin incidenteel hoger beroep is daartegen gericht.
3.Inleiding
in haar geheel gelezenzijn oordeel kan dragen.
4.Bespreking van de klachten
onderdeel 1is dat ABN niet mocht vertrouwen dat [eiser] zijn stop loss order prijsgaf. ’s Hofs oordeel op dat punt is van feitelijke aard. Reeds daarop stuit de klacht af. Onbegrijpelijk is het oordeel zeker niet. Het is van algemene bekendheid dat mensen die worden geconfronteerd met gebeurtenissen die anders verliepen dan zij hadden gehoopt of verwacht, in voorkomende gevallen op zoek gaan naar een andere zondebok dan zijzelf. Toegespitst op procedures betekent dat dan dat daarop toegesneden stellingen aan het papier worden toevertrouwd. Die stellingen kúnnen juist zijn, maar dat behoeft allerminst zo te zijn (waarbij ik de subjectieve goede trouw van [eiser] niet in twijfel trek). Dat alles is een feitelijke kwestie. Voor de cassatierechter is daar geen taak weggelegd.
was” (cursivering toegevoegd). Dat zou hij, volgens dit subonderdeel, ook hebben betoogd, o.m. in de notities van mr. Ruitenberg voor de comparitie in prima op p. 2 bovenaan. Daar is evenwel een andere stelling te lezen, te weten dat [eiser] meende dat hij weer “met andere dingen bezig [kon] [6] zijn”. Los van dit verschil valt op dat [eiser] geen beroep heeft gedaan op omstandigheden die zijn aandacht
vergden.
onder 32beroep wordt gedaan op [eisers] wens om risico’s te beperken, gaat het om een stelling die veel te vaag is wanneer we de comparitieaantekeningen raadplegen. Uit de transcripten blijkt hiervan niet; evenmin uit de zéér eenzijdige belegging. Ook wordt niet aangegeven tegen wie en wanneer [eiser] dit zou hebben gezegd.
onder 28 –draait om het niet meedelen dat de stop loss order was
geroyeerd. Zij zijn niet gemakkelijk te begrijpen nu uit de onder 1 weergegeven transcripties geen andere conclusie valt te trekken dan dat deze order nimmer is ingevoerd en dat [eiser] dat wist of ten minste had moeten begrijpen.
onderdeel 1met het voorafgaande niet zijn besproken, sneuvelen ze op de hiervoor onder 3.8 sub b, d, e en g genoemde gronden.
onder 35onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het onderdeel wordt in de daarop volgende subonderdelen nader uitgewerkt.
ooknaar die passages. Het onderdeel ziet er evenwel aan voorbij dat het Hof daarop is ingegaan in rov. 3.
18. Wat er van dat oordeel ook zij, daartegen is geen klacht gericht.
mogelijkenig garen had kunnen spinnen, is de onder 1.14 geciteerde transcriptie. Daaromtrent heeft het Hof evenwel, in cassatie niet bestreden, in rov. 3.20 klaarblijkelijk aangenomen dat deze ontoereikend was en dat [eiser] voor het overige te weinig heeft gesteld. Bij die stand van zaken had [eiser] onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat ABN (een deel van) het koersverlies voor haar rekening zou willen nemen. Zelfs als [eiser] dat wel zou hebben gedacht, blijft overeind dat hem duidelijk te verstaan was gegeven dat de bijdrage van ABN beperkt zou zijn zodat de schade bij relevante verdere koersdalingen voor zijn rekening zou komen.
onder 42dat hij heeft aangevoerd dat hij zich niet voor bemiddeling tot het Kifid zou hebben gewend, maar in maart 2009 direct een civiele procedure zou hebben ingesteld indien hij al eerder op de hoogte zou zijn geweest van de werkelijke gang van zaken op vrijdag 19 september 2008. Een voorafgaand voorlopig getuigenverhoor zou dan evenmin nodig zijn geweest. [eiser] wijst erop dat hij heeft gesteld dat als de desbetreffende kosten van rechtsbijstand niet op de voet van art. 6:96 lid 2 BW Pro als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zouden kunnen gelden, deze kosten kwalificeren als vermogensschade in de zin van art. 6:96 lid 1 BW Pro, die ABN op grond van art. 6:74 lid 1 jo Pro. art. 6:98 BW Pro dient te vergoeden vanwege haar bewuste en voortdurende schending van de op haar rustende informatieplicht. Het Hof zou ongemotiveerd aan deze essentiële stelling zijn voorbijgegaan. [19]