ECLI:NL:PHR:2015:2333

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2015
Publicatiedatum
2 december 2015
Zaaknummer
15/04776
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 407 lid 2 RvArt. 351 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling en tussentijdse beëindiging

In deze zaak is verzoeker bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland onder de wettelijke schuldsaneringsregeling geplaatst. Later is deze regeling tussentijds beëindigd wegens het niet informeren van de bewindvoerder over belangrijke gebeurtenissen, zoals het huwelijk en het ontstaan van nieuwe schulden.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft deze tussentijdse beëindiging bekrachtigd, waarbij het oordeel van het hof was dat verzoeker de bewindvoerder niet tijdig heeft geïnformeerd, waardoor deze niet kon beoordelen of de schuldeisers zouden worden benadeeld.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof het recht op gezinsleven heeft geschonden door te oordelen dat toestemming van de bewindvoerder nodig was voor het huwelijk, maar dit werd verworpen omdat het hof vooral de informatieplicht benadrukte.

De Hoge Raad concludeert dat de belangenafweging van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de klachten onvoldoende grondslag bieden voor cassatie. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 15/04776
Mr. L. Timmerman
Parket 27 november 2015
Conclusie inzake
[verzoeker]
(hierna: [verzoeker])
1. In deze zaak is tijdig [1] cassatieberoep ingesteld.
2. Ten aanzien van [verzoeker] is bij vonnis van 16 april 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Bij vonnis van 18 augustus 2015 van diezelfde rechtbank is op voordracht van de rechter-commissaris de toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd en is verstaan dat [verzoeker] in staat van faillissement verkeert zodra die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Op het hoger beroep van [verzoeker] heeft het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 8 oktober 2015 laatstgenoemde beslissing bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen die beslissing is het middel gericht.
3. Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 3.5 en betoogt dat het hof heeft miskend dat het stellen van de eis dat [verzoeker] toestemming aan de bewindvoerder moest vragen om in het huwelijk te treden (en vervolgens naar zijn echtgenote te verhuizen) – hetgeen impliceert dat deze toestemming geweigerd kan worden – in strijd is met het (grond)recht tot het stichten van een gezinsleven, zoals neergelegd in diverse verdragen.
4. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het verwijt dat het hof [verzoeker] op dit punt maakt ziet op het schenden van de informatieplicht. Het hof overweegt immers dat [verzoeker], door de bewindvoerder niet tijdig op de hoogte te stellen, de bewindvoerder de mogelijkheid heeft onthouden om voorafgaande aan de huwelijkssluiting te onderzoeken of de schuldeisers daardoor zouden worden benadeeld en zo ja, of daartegen maatregelen getroffen zouden moeten worden. Het gaat er daarmee in de redenering van het hof niet zozeer om dat de bewindvoerder toestemming had kun weigeren, maar dat [verzoeker] de bewindvoerder de gelegenheid had moeten geven om (indien nodig) passende maatregelen te treffen.
5. Met onderdeel 2 wordt ten strijde getrokken tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5 dat [verzoeker] had moeten weten welke nieuwe schulden hij heeft laten ontstaan en wat daarvan de hoogte was en dat dit – tezamen met het vertrek naar Thailand en de huwelijkssluiting zonder de bewindvoerder te informeren – tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling rechtvaardigt.
6. Een klacht tegen het oordeel van het hof over de informatieplicht ten aanzien van de nieuwe schulden kan ik in het onderdeel niet ontwaren. Als ik het goed zie betoogt het onderdeel in de kern dat de door het hof in rov. 3.5 gemaakte belangenafweging anders had moeten uitvallen. Voor zover het daartoe verwijst naar de door het hof in rov. 3.7 vastgestelde positieve ontwikkelingen baat dit niet. Het hof heeft deze ontwikkelingen immers in het oordeel betrokken en te licht bevonden. Dat oordeel is noch onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. De klacht dat het hof ten onrechte niet heeft meegewogen dat de bewindvoerder de rechtbank heeft geadviseerd om niet tot tussentijdse beëindiging over te gaan voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Het onderdeel vermeldt immers niet waar deze stelling in feitelijke instantie door [verzoeker] is betrokken. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de bewindvoerder ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof ook heeft medegedeeld dat er sprake is van een gedragsprobleem bij [verzoeker] en dat hij niet alles heeft gedaan om aan zijn verplichtingen te voldoen. [2] Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat onderdeel 1 faalt, is het resultaat van de door het hof gemaakte belangenafweging niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het oordeel op dit punt ook voldoende gemotiveerd.
7. De in het aanvullende verzoekschrift geformuleerde klacht is een (weinig heldere) voortbouwklacht en deelt daarmee het lot van de overige klachten.
8. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De cassatietermijn is op grond van artikel 351 lid 1 Fw Pro acht dagen. Het arrest is van 8 oktober 2015, het verzoekschrift is op 16 oktober 2015 binnengekomen.
2.Proces-verbaal mondelinge behandeling 30 september 2015, bladzijde 3, ener laatste kopje van de bewindvoerder.