Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“de belangen van het kind” [10] ). De Hoge Raad heeft deze bepaling van oudsher aldus uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke rechtsbetrekking wordt erkend. Volgens de Hoge Raad zal de rechter hierbij het belang en de aanspraak van de verwekker op erkenning tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning moeten afwegen, waarbij het belang van de moeder in art. 1:204 lid 3 BW Pro nader is omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind [11] . Dat art. 1:204 lid 3 BW Pro het belang van de moeder om niet te worden geschaad in een ongestoorde verhouding met het kind slechts een tegen de belangen van de verwekker af te wegen belang presenteert, valt naar mijn mening moeilijk te verenigen met de tekst van de bepaling en met het hierna (onder 2.5) aan te halen citaat uit de memorie van toelichting, waaruit blijkt dat vervangende toestemming is uitgesloten, als erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zou schaden [12] . Mede tegen die achtergrond begrijp ik de rechtspraak van de Hoge Raad aldus, dat niet iedere door de moeder te ervaren verstoring van haar relatie met het kind tot een afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming dient te leiden [13] , maar dat van een voldoende ernstige verstoring van die relatie sprake moet zijn, mede gelet op de repercussies van die verstoring voor (een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van) het kind [14] . In diezelfde lijn ligt ook de relativering van het schaden van de belangen van het kind als grond voor uitsluiting van erkenning. Nu de wetgever met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming heeft beoogd bij afstamming meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid, kan volgens de Hoge Raad niet worden aanvaard dat reeds het enkele feit dat het kind (enige) weerslag ondervindt van de inbreuk die de erkenning maakt op het tussen hem en de partner van zijn moeder bestaande family life, schade aan zijn belangen als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW Pro oplevert. Van dergelijke schade is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning door de verwekker voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling [15] . Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft [16] . Bij de afweging van belangen dient in aanmerking te worden genomen dat het bij dergelijke reële risico’s noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is [17] .
Zijn belang kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen(onderstreping toegevoegd; LK). Vaak zullen de belangen van kind en moeder parallel lopen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de schade die de verhouding van moeder en kind kan oplopen, indien de verkrachter zijn kind zou willen erkennen.
“a primary consideration”) vormen. Deze zullen in geval van conflict van belangen dan ook in de regel de doorslag behoren te geven [21] .
Różański tegen Polen [23] . Aan die zaak kunnen echter geen argumenten worden ontleend die het vorenstaande ontkrachten. Het ging in die zaak om een verzoek, strekkende tot vaststelling van vaderschap, welk verzoek werd afgewezen op de enkele grond dat de nieuwe partner van de moeder het kind inmiddels had erkend. Het EHRM achtte strijd met art. 8 EVRM Pro aanwezig, onder meer omdat de bevoegde Poolse autoriteiten geen andere omstandigheden in aanmerking hadden genomen, het verzoek op een plichtmatige en mechanische wijze hadden afgedaan en iedere belangenafweging achterwege hadden gelaten. Daarbij achtte het EHRM ook het ontbreken van iedere richtlijn voor de uitoefening van de desbetreffende discretionaire bevoegdheid van belang [24] . Anders dan in de zaak
Różański tegen Polenis in de onderhavige zaak juist niet aan de orde dat het verzoek van [verzoeker] is afgewezen op de enkele grond dat [verweerder 2] [kind 4] reeds had erkend. Uit de tussenbeschikking vloeit voort dat die laatste omstandigheid in de onderhavige zaak juist niet beslissend is geacht en dat zij het hof juist niet van een nadere beoordeling van de aanspraak van [verzoeker] op erkenning heeft weerhouden.
Ahrens tegen Duitsland [25] dat de lidstaten in het kader van art. 8 EVRM Pro een ruime beoordelingsvrijheid hebben om de verwekker al dan niet het recht te verlenen de erkenning van het kind door een derde aan te vechten in het geval waarin de juridische vader met het kind en de moeder een gezin vormt en op dagelijkse basis in ouderlijke zorg voorziet.
family life- voor zover daarvan door de breuk tussen de moeder en [verweerder 2] al sprake is - schade aan haar belangen als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW Pro oplevert, aangezien de wetgever met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming juist heeft beoogd bij afstamming meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid.
“een relatief zware toets”(te weten of de moeder al dan niet in redelijkheid toestemming voor erkenning door een ander dan de verwekker heeft kunnen geven) en
“de minder zware toets [26] van art. 1:204 lid 3 BW Pro”tot misverstand aanleiding zou kunnen geven. De gehanteerde terminologie pleegt te worden gebruikt om de uiteenlopende maatstaven aan te geven aan de hand waarvan de door de moeder verleende toestemming tot erkenning door een derde dient te worden beoordeeld, waarbij voor de toe te passen maatstaf bepalend is of de verwekker al dan niet tijdig vervangende toestemming heeft kunnen vragen. Als de verwekker vervangende toestemming heeft kunnen vragen, geldt dat hij met een beroep op misbruik van bevoegdheid de met toestemming van de moeder gedane erkenning van het kind kan aantasten indien door de moeder toestemming tot erkenning door de niet-verwekker is gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden (de zware toets). Als daarentegen de verwekker niet of niet tijdig vervangende toestemming heeft kunnen vragen, geldt als maatstaf of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van het kind -, in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de erkenner heeft kunnen komen (in de woorden van de Hoge Raad:
“de minder strikte maatstaf”) [27] . Volledigheidshalve voeg ik daaraan toe dat de beide bedoelde maatstaven niet aan de orde behoeven te komen als de door de moeder aan de derde verleende toestemming als voorwaardelijk heeft te gelden; dat laatste geval doet zich onder meer voor als de verwekker door middel van een brief van een advocaat aan de moeder (of aan haar advocaat) om toestemming tot erkenning heeft verzocht en de verwekker uiterlijk drie maanden na de dag waarop die brief is verzonden het verzoek om vervangende toestemming bij de rechtbank heeft ingediend [28] .
“de minder strikte maatstaf”toegepast. Naar mijn mening stelt het onderdeel die toets ten onrechte voor als
zwaarderdan de toets aan de maatstaf van art. 1:204 lid 3 BW Pro. Zouden de bedoelde maatstaven zich inderdaad aldus (als zwaarder en als minder zwaar) verhouden, dan zou dat betekenen dat in alle gevallen waarin de verwekker zich met recht ertegen verzet dat zijn aanspraak op erkenning (reeds) op het
fait accomplivan erkenning van het kind door een derde afstuit, de rechter hem vervolgens (vervangende) toestemming tot erkenning niet zou kunnen weigeren. Met de rechtspraak waarin de strikte en de minder strikte maatstaf voor de beoordeling van de door de moeder aan een derde gegeven toestemming tot erkenning zijn ontwikkeld, heeft de Hoge Raad dat mijns inziens niet bedoeld. Het oordeel dat de moeder de verwekker niet de kans heeft mogen ontnemen vervangende toestemming tot erkenning te vragen door met erkenning door een derde in te stemmen, prejudicieert niet op het vervolgens te geven oordeel over de wenselijkheid van een erkenning door de verwekker.
“De minder strikte maatstaf”en de in art. 1:240 lid 3 BW Pro opgenomen gronden die aan vervangende toestemming in de weg staan, zien op uiteenlopende kwesties, te weten de toelaatbaarheid van de blokkade die de moeder voor de verwekker opwerpt door het
fait accomplivan een erkenning door een derde te scheppen enerzijds en de wenselijkheid of onwenselijkheid van een erkenning door de verwekker anderzijds. Voorts stemmen de bedoelde maatstaven ook inhoudelijk niet overeen; zo ontbreekt in
“de minder strikte maatstaf”die bij de beoordeling van de door de moeder aan een derde gegeven toestemming tot erkenning wordt gehanteerd, als zelfstandige toetssteen het belang dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind niet in het gedrang komt.
“zowel binnen als buiten het gezin”in het leven van [kind 4] speelt), behoefde de omstandigheid dat de moeder en [verweerder 2] vanaf november 2012 gedurende enige tijd gescheiden hebben gewoond (ook als dat gedurende een langere periode zou zijn geweest dan de periode van vijf weken waarvan de RvdK is uitgegaan), het hof naar mijn mening niet ervan te weerhouden in zijn beschikking van 7 oktober 2014 althans
ex nuncvan een veilige en stabiele gezinssituatie en opvoedingsomgeving van [kind 4] uit te gaan. Dat geldt temeer nu uit de stellingen van de moeder en [verweerder 2] blijkt dat zij, ook gedurende de periode dat zij niet bij elkaar woonden, een zeer goede band met elkaar hebben behouden, vrijwel dagelijks overleg pleegden en beiden intensief in de opvoeding van de kinderen zijn (blijven) participeren [33] . Het middel verwijst niet naar stellingen van [verzoeker] waaruit blijkt dat hij het bestaan van een veilige en stabiele gezinssituatie en opvoedingsomgeving ten tijde van de bestreden beschikking heeft betwist. Ook de bijzondere curator, die zich uiteindelijk bij het advies van de RvdK heeft aangesloten [34] , heeft zulks niet als zodanig betwist, ook niet in de in het aanvullend cassatierekest vermelde citaten uit de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in hoger beroep.
“in de kern”ten grondslag gelegd dat [kind 4] (enige) weerslag ondervindt van de inbreuk die de erkenning maakt op het tussen haar en [verweerder 2] bestaande
family life(voor zover daarvan door de breuk tussen de moeder en [verweerder 2] al sprake is). In de gedachtegang van het hof zal een erkenning van [kind 4] door [verzoeker] niet slechts “enige” weerslag op het tussen haar en [verweerder 2] bestaande
family lifehebben, maar dreigt het risico dat de stabiliteit in het leven van [kind 4] wordt ontwricht, waardoor (mede gelet op de beperkingen van [kind 4]) een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind 4] in het gedrang komt. Daarmee is, anders dan in het geval van slechts “enige” weerslag op het
family lifetussen het kind en de derde die het kind heeft erkend, gegeven dat de rechter op grond van art. 1:204 lid 3 BW Pro geen vervangende toestemming tot erkenning kan verlenen.
onderdeel 3bevat een motiveringsklacht die zich richt tegen de rov. 2.4 en 2.5 van de bestreden eindbeschikking. Het middel stelt dat de oordelen in deze overwegingen onvoldoende (inzichtelijk) zijn gemotiveerd. Immers blijkt volgens het middel op generlei wijze uit deze overwegingen of uit het daaraan (mede) ten grondslag liggende rapport van de RvdK of en, zo ja, welke feiten en/of omstandigheden ten aanzien van [verzoeker] in de afweging zijn betrokken. Dit terwijl de belangen van [verzoeker] op dit gebied groot waren en de gevolgen ingrijpend: zonder familierechtelijke betrekking ook geen gezag en (in casu) omgang en informatie. Ter zake van een inbreuk op iemands
family lifeen/of
private lifein de zin van art. 8 EVRM Pro geldt volgens het middel een zware (of verzwaarde) motiveringsplicht, waaraan niet is voldaan.
family lifeen/of
private lifevan [verzoeker] geen doel, nog daargelaten dat in het rapport van de RvdK - waarbij het hof zich in rov. 2.5 van de eindbeschikking uitdrukkelijk heeft aangesloten - aan de orde is gesteld en is meegewogen dat [verzoeker], nu van een nauwe persoonlijke betrekking met [kind 4] geen sprake lijkt te zijn, zonder erkenning geen omgang met [kind 4] zal kunnen afdwingen [37] .