Conclusie
Onderdeel 1 [5] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de bestreden rechtsoverweging 7 heeft het hof geoordeeld dat “voor zover [verzoeker] aangeeft zijn stellingen uit de vorige procedure tot herroeping te herhalen dit, zonder enige nadere toelichting, reeds daarom onbegrijpelijk [is].”
Onderdeel 2 [6] richt zich in drie subonderdelen tegen het volgende oordeel in rechtsoverweging 8 van het bestreden arrest:
Onderdeel 3bouwt op de eerdere onderdelen voort en deelt dan ook in hun lot.
Onderdeel 4, dat zich richt tegen de rechtsoverwegingen 10 en 14 waarin het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot herroeping van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2013, mist belang nu gelet op het voorgaande de klachten tegen de verwerping van het herroepingsverzoek van de arresten van het hof van 22 maart, 9 augustus en 27 december 2011 falen.