ECLI:NL:PHR:2015:2351

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2015
Publicatiedatum
4 december 2015
Zaaknummer
15/04239
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RvArt. 81 lid 1 ROArt. 382 RvArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vordering tot herroeping van arresten hof en Hoge Raad in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft verzoeker meerdere keren geprobeerd om arresten van het gerechtshof Den Haag en de Hoge Raad te herroepen. De vorderingen betroffen arresten van 2011 en 2013. Het hof wees de herroepingsverzoeken af en verklaarde verzoeker deels niet-ontvankelijk. Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze afwijzing.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep geen behandeling verdient omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. De klachten van verzoeker misten feitelijke grondslag en waren onvoldoende gemotiveerd. Nieuwe omstandigheden die verzoeker aanvoerde, waren al aan de orde geweest in eerdere procedures of konden niet meer als grond voor herroeping dienen.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van het hof en verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro. De procedure toont de strikte toetsing aan de voorwaarden voor herroeping van arresten en het belang van voldoende onderbouwing en nieuwe feiten voor dergelijke verzoeken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot herroeping van eerdere arresten wordt afgewezen.

Conclusie

Zaaknr: 15/04239
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 27 november 2015
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[verzoeker]
tegen
[verweerder]
1.1 Bij dit geding inleidende dagvaarding van 31 juli 2013 heeft eiser tot cassatie (hierna: [verzoeker]) verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) gedagvaard voor het gerechtshof Den Haag en heeft daarbij gevorderd dat het hof zijn arresten van 22 maart 2011, 9 augustus 2011 en 27 december 2011 zal herroepen, alsmede zijn in kort geding gewezen arrest van 19 maart 2013. Bij ‘akteverzoek wijziging van eis’ van 15 juli 2014 heeft [verzoeker] voorts verzocht om herroeping van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2013 [1] .
heeft het hof primair verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van procesrecht.
1.2 Tegen de hiervoor onder 1.1 genoemde arresten van het gerechtshof Den Haag van 22 maart 2011, 9 augustus 2011 en 27 december 2011 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld, dat door de Hoge Raad bij het eveneens onder 1.1 genoemde arrest van 18 januari 2013 is verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
1.3 [verzoeker] heeft voorts bij exploot van 4 december 2012 een vordering tot herroeping ingesteld van de onder 1.1 genoemde arresten van het hof (hierna: de eerste herroepingsprocedure).
Het gerechtshof Den Haag heeft de vordering in deze eerste herroepingsprocedure bij arrest van 18 juni 2013 afgewezen.
Tegen dat arrest heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep bij arrest van 11 juli 2014 verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro [2] .
1.4 Het hof heeft [verzoeker] in de onderhavige (tweede) herroepingsprocedure bij arrest van 31 maart 2015 niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover gericht tegen het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2013 en voor het overige het gevorderde afgewezen.
1.5 [verzoeker] heeft tegen het arrest van het hof in de tweede herroepingsprocedure tijdig [3] cassatieberoep ingesteld [4] .
1.6 Het middel rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. Voor zover de opgeworpen klachten al begrijpelijk zijn, geldt daartoe het volgende.
1.7
Onderdeel 1 [5] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de bestreden rechtsoverweging 7 heeft het hof geoordeeld dat “voor zover [verzoeker] aangeeft zijn stellingen uit de vorige procedure tot herroeping te herhalen dit, zonder enige nadere toelichting, reeds daarom onbegrijpelijk [is].”
Het hof heeft daarmee niet geoordeeld dat de als productie 3 overgelegde (proces)stukken geen deel uitmaken van de rechtsstrijd.
1.8
Onderdeel 2 [6] richt zich in drie subonderdelen tegen het volgende oordeel in rechtsoverweging 8 van het bestreden arrest:
“Ook in hetgeen overigens nog door [verzoeker] is aangevoerd zijn – voor zover begrijpelijk – geen stellingen te lezen op grond waarvan een vordering tot herroeping op de voet van artikel 382 Rv Pro kan worden toegewezen.”
1.9 Het onderdeel klaagt onder a. dat het hof heeft miskend dat de achteraf gebleken omstandigheid op de comparitie van 2 mei 2013 dat [verweerder] tot aan het schrijven van de brief van 4 november 2006 niets tegen [verzoeker] heeft gezegd of dat anderszins kenbaar heeft gemaakt over een afspraak tot teruggave van diens aandelen, tegenover zijn eerdere verklaring dat hij reeds op 4 februari 2006 om teruggave van alle veertig aandelen zou hebben gevraagd, tot bedrog in de zin van artikel 382 Rv Pro leidt, dan wel (onder b en c) dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk of toereikend heeft gemotiveerd dan wel essentiële stellingen niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
1.10 De comparitie van 2 mei 2013 betreft de comparitie die het hof in de eerste herroepingsprocedure heeft gelast. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt [7] . [verzoeker] heeft bij brief van 8 mei 2013 op dit proces-verbaal gereageerd en daarbij om aanvulling verzocht [8] . Op 13 juni 2013 heeft het hof een aanvulling op het proces-verbaal van de zitting van 2 mei 2013 aan partijen verzonden [9] .
Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Spier in de eerste herroepingsprocedure leid ik af dat het (aanvullend) proces-verbaal van de zitting van 2 mei 2013 en de brief van 8 mei 2013 van [verzoeker] voorwerp vormden van het cassatieberoep in de eerste herroepingsprocedure.
1.11 Voor zover het onderdeel ook bedoelt te klagen over de door het hof in rechtsoverweging 7 genoemde brief van de raadsman van [verweerder] aan [verzoeker] van 2 juli 2013 voldoet het onderdeel niet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv Pro nu niet wordt toegelicht waarom het hof in rechtsoverweging 8 niet kon oordelen dat in die brief geen stelling valt te lezen op grond waarvan een vordering tot herroeping kan worden toegewezen.
1.12 Voor zover het onderdeel klaagt over hetgeen tijdens de comparitie van 2 mei 2013 is verklaard, heeft hetzij het hof hierover in rechtsoverweging 7, in zoverre in cassatie onbestreden, geoordeeld, hetzij is nagelaten daarop in de eerste herroepingsprocedure een beroep te doen, hetgeen wel had gekund – het onderdeel houdt niet de klacht in dat deze omstandigheid pas na het cassatieberoep is gebleken – en kan deze omstandigheid geen grond voor herroeping meer vormen in een nieuwe herroepingsprocedure.
Daarop stuiten alle klachten van het tweede onderdeel af.
1.13
Onderdeel 3bouwt op de eerdere onderdelen voort en deelt dan ook in hun lot.
1.14
Onderdeel 4, dat zich richt tegen de rechtsoverwegingen 10 en 14 waarin het hof [verzoeker] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot herroeping van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2013, mist belang nu gelet op het voorgaande de klachten tegen de verwerping van het herroepingsverzoek van de arresten van het hof van 22 maart, 9 augustus en 27 december 2011 falen.
1.15 De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2013:BY6311, RvdW 2013/175. In dit arrest heeft de Hoge Raad het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep tegen de arresten van het gerechtshof Den Haag van 22 maart 2011, 9 augustus 2011 en 27 december 2011 verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2.ECLI:NL:HR:2014:1635, RvdW 2014/957.
3.De cassatiedagvaarding is op 29 juni 2015 uitgebracht.
4.In de eerste ordner van het procesdossier zit een inhoudsopgave van de eerste twee ordners.
5.Cassatiedagvaarding onder II.1.
6.Cassatiedagvaarding onder II.2.
7.Ordner 3, nr. 2 akte inbreng producties (van de tweede herroepingsprocedure), productie 3g.
8.Te vinden in ordner 3, nr. 2 akte inbreng producties (van de tweede herroepingsprocedure), productie 5.
9.Ordner 3, nr. 2 akte inbreng producties van de tweede herroepingsprocedure, productie 3i. Zie ook nr. 2.23 van en de bijlage bij de conclusie van A-G Spier van 23 mei 2014 in de eerste herroepingsprocedure.