Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 9, die luidt dat het hof in rov. 4.6 t/m 4.8 van het bestreden arrest art. 3:322 lid 1 BW Pro heeft geschonden. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de vraag of de rechtsvordering van [eiseres] is verjaard heeft beoordeeld volgens art. 3:310 lid 1 BW Pro, terwijl [A] zich niet op deze bepaling heeft beroepen. Het middel wijst op het verbod van art. 3:322 lid 1 BW Pro voor de rechter om de verjaring ambtshalve toe te passen, hetgeen meebrengt dat degene die zich op verjaring beroept met voldoende duidelijkheid dient aan te geven op welke verjaring hij het oog heeft, wil dit beroep kunnen slagen. [A] heeft haar beroep op verjaring uitsluitend gebaseerd op art. 7:23 lid 2 BW Pro.
onder 8wordt vanuit verschillende invalshoeken geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de verjaring van de vordering van [eiseres] in rov. 4.8 en rov. 4.9 van het bestreden arrest ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in rov. 2.8 [18] vastgestelde feit dat [eiseres] [A] bij brief van 19 mei 2003 aansprakelijk heeft gesteld voor de schade als gevolg van de gebrekkige Aquafilmatten. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee miskend dat aan deze brief stuitende werking toekomt.
“ [eiseres] (…) aangevoerd dat (…) de verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 BW Pro) [van toepassing is] en dat die verjaringstermijn tijdig is gestuit door een brief van 3 april 2008 van mr. Gelpke aan [A] .”(rov. 4.3). [20] [eiseres] heeft zich in de gedingstukken op geen enkele wijze uitgelaten over het moment waarop, gelet op de eisen van art. 3:310 lid 1 BW Pro, de verjaring van de rechtsvordering volgens haar een aanvang zou hebben genomen. Mogelijk verkeerde zij, zulks in het verlengde van de door de rechtbank gehonoreerde stelling van [A] dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003, in de veronderstelling dat ook de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro is aangevangen op 19 mei 2003. Wat daarvan zij, blijkens de gedingstukken – en anders dan in de cassatiedagvaarding onder 6 wordt gesuggereerd – heeft [eiseres] in elk geval niet gesteld dat een lopende verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro ook reeds door de brief van 19 mei 2003 is gestuit. Dat volgt ook niet uit de in het onderdeel (voetnoot 3) aangegeven vindplaatsen. Anders dan in de s.t. (nr. 2) wordt gesteld, heeft [A] ook niet erkend dat de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003 een lopende verjaring heeft gestuit (er wordt daarvan ook geen vindplaats vermeld). Integendeel, [A] heeft uitdrukkelijk betwist dat, afgezien van de brief van 3 april 2008, sprake is geweest van enige stuitingshandeling. [21] Toen het hof tot de bevinding kwam dat de verjaringstermijn in ieder geval was aangevangen op 21 maart 2003 (rov. 4.8), behoefde het niet ambtshalve te onderzoeken of de verjaring reeds voor 3 april 2008 was gestuit. Hierop stranden alle klachten van onderdeel 1, onder 8.
onder 10treffen evenmin doel.