De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het enkel voorhanden hebben van een geldbedrag van €18.140 dat mogelijk afkomstig was uit een door hemzelf gepleegd misdrijf. Het hof oordeelde dat dit gedrag niet kwalificeert als witwassen omdat geen handeling was gericht op het verhullen van de criminele herkomst.
Verdachte verklaarde tijdens een eerdere terechtzitting dat hij het geld voor een ander bewaarde en dat dit geld was geleend om een autowasstraat te beginnen. Het hof gelastte de bewaring van het geld ten behoeve van de rechthebbende, die inmiddels was overleden.
Het cassatiemiddel klaagde over een vermeende tegenstrijdigheid in het arrest en de motivering omtrent de herkomst en rechthebbende van het geld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft toegepast en dat het oordeel begrijpelijk is dat verdachte niet als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.