Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat de betrokkene zijn voor het bewijs gebezigde bekennende verklaring over de omvang van de hennepoogst niet in vrijheid heeft afgelegd, aangezien hij tijdens zijn verhoor hevige pijn aan zijn verbrande handen had waardoor hij werd gedwongen een bekentenis af te leggen om van het verhoor af te zijn, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
NJ1998/483. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het hof een verweer, inhoudende dat de verdachte zijn verklaring ten gevolge van medicijngebruik niet in vrijheid had afgelegd, toereikend gemotiveerd had verworpen. Daarbij werd mede in aanmerking genomen dat de betrokken verdachte zijn verklaring in het bijzijn van zijn raadsman ten overstaan van de rechter-commissaris had gehandhaafd, hetgeen in de onderhavige zaak niet het geval is. Een beroep op dit arrest kan de betrokkene echter niet baten. In de desbetreffende zaak was gesteld dat de bekennende verklaring samenhing met hallucinaties als gevolg van medicijngebruik. Tegen die achtergrond is de verwijzing naar de handhaving van de verklaring tijdens een later verhoor te begrijpen. Daarmee wordt immers tot uitdrukking gebracht dat niet aannemelijk is dat de verklaring tijdens het politieverhoor is afgelegd onder invloed van de psychische toestand als gevolg van het medicijngebruik. In de onderhavige zaak is, aan de hand van een verklaring van de ter terechtzitting gehoorde deskundige, vastgesteld dat de medicijnen die ten behoeve van de betrokkene waren voorgeschreven geen effect op het bewustzijn hadden.