Conclusie
“Leningovereenkomst”ondertekend, volgens welke de Stichting als schuldenaar erkent op 15 december 1999 een bedrag van ƒ 100.000,- als lening van [verweerster] te hebben ontvangen, onder bepaling dat de Stichting de eerste tien jaar geen aflossingsverplichting heeft en dat
“na het einde van deze termijn partijen met elkaar zullen overleggen omtrent de wijze van aflossing van deze lening”alsmede onder bepaling dat over het geleende bedrag een rente van 6% per jaar is verschuldigd, welke rente jaarlijks bij de hoofdsom wordt bijgeschreven.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2.2is een stuitingsverweer evenmin gevoerd in de pleitnotitie van de zijde van [verweerster] in hoger beroep en blijkt daarvan evenmin uit het proces-verbaal van de pleitzitting.
subonderdeel 1.2.3, dat [verweerster] geen beroep op stuiting van de verjaring heeft gedaan en dat zij evenmin de door het hof aangenomen feiten en omstandigheden, vereist voor de stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:318 BW Pro (erkenning) én voor die als bedoeld in art. 3:317 BW Pro (schriftelijke mededeling in de brief van 18 december 2009, bijlage 4 bij productie 12) heeft ingeroepen. Dit betekent dat het hof op grond van art. 24 Rv Pro, een dergelijk verweer en de daarvoor benodigde feitelijke grondslag niet ambtshalve kon en mocht aanvullen, behandelen en honoreren. Door dat tóch te doen, heeft het hof in feite [verweerster] geholpen aan: én een stuitingsverweer én een daarvoor benodigde feitelijke grondslag, zodat het daarmee art. 24 Rv Pro heeft geschonden en buiten het rechtsdebat is getreden.
onderdeel I.2gegrond, nu de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat [verweerster] géén beroep op stuiting van de verjaring heeft gedaan. [verweerster] heeft de door het hof in rov. 4.17 aangehaalde feiten - te weten de
“aflossingen op de lening”(bijlage 2 bij productie 12) en de
“brief van 18 december 2009”(bijlage 4 bij productie 12) - niet aan een stuitingsverweer ten grondslag gelegd.
aanvangsmomentvan de verjaringstermijn en (onder 91) gesteld dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verweerster] heeft haar verweer in de memorie van antwoord onder 100-101 als volgt samengevat:
“aflossingen op de lening”in 2005 heeft [verweerster] in haar memorie van antwoord (onder 96) slechts genoemd ter adstructie van haar betwisting van de stelling van [eiser] dat eind 2002 al vaststond dat de Stichting niet zou nakomen en dat de verjaringstermijn derhalve toen al is gaan lopen [4] . De
“brief van 18 december 2009”is door [verweerster] niet genoemd naar aanleiding van het beroep van [eiser] op verjaring, maar is in het geding gebracht als bijlage 4 bij een als productie 12 overgelegde brief van [verweerster] aan de rechtbank (gedateerd 22 december 2010), waarin [verweerster] op chronologische wijze de gebeurtenissen heeft weergegeven vanaf het moment dat zij [eiser] heeft leren kennen tot de eerste sommatie van 18 december 2009 en de daaropvolgende dagvaarding.
“aflossingen op de lening”(bijlage 2 bij productie 12) en/of door aanmaning of een uitdrukkelijk voorbehoud van het recht op nakoming in de
“brief van 18 december 2009”(bijlage 4 bij productie 12) (zie hiervóór onder 2.5).
“aflossingen op de lening”een beroep op stuiting is gedaan (zie hiervóór onder 2.5). Met een zodanige uitleg van de gedingstukken behoefde [eiser] ook geen rekening te houden. Ik teken daarbij aan dat indien [eiser] uit de processtukken had kunnen afleiden dat met de
“aflossingen op de lening”een beroep op stuiting als bedoeld in art. 3:318 BW Pro werd gedaan (hetgeen het hof kennelijk heeft aangenomen), er goede argumenten denkbaar zouden zijn geweest waarmee [eiser] het beroep op stuiting had kunnen weerleggen (zie hierna de bespreking van subonderdeel 1.4.1 onder 2.16). Wat daarvan verder ook zij, in ieder geval heeft het hof [eiser] tekortgedaan in diens recht zich naar behoren te kunnen verdedigen.
onderdeel I.3raakt gegrondbevinding van één van de klachten van de onderdelen I.1 en I.2 de op de daarmee aangevochten oordelen voortbouwende conclusie in de vierde, vijfde en zesde volzin van rov. 4.17, kort gezegd, inhoudende dat [verweerster] op 9 maart 2010 binnen de verjaringstermijn na de laatste betaling tot dagvaarding is overgegaan, dat haar vordering ten tijde van de dagvaarding dus niet was verjaard en dat grief II (het verjaringsberoep) van [eiser] faalt.
schuldenaaris verricht en dat die erkenning - uiteraard - betrekking heeft op de rechtsvordering die door de schuldeiser jegens hem is ingesteld. Gegeven het vaststaande feit dat de aflossingen in 2005 door [eiser] betrekking hebben op
de leningvan de Stichting (rov. 4.17, eerste volzin) en gegeven het feit dat de vordering van [verweerster] op [eiser] strekt tot schadevergoeding op grond van gestelde bestuurdersaansprakelijkheid (rov. 4.14 en 4.15), is met betrekking tot de vordering van [verweerster] op [eiser] niet aan de wettelijke criteria voor erkenning van een rechtsvordering in de zin van art. 3:318 BW Pro voldaan. Uit de vaststaande feiten volgt immers dat [eiser] de aflossingen namens de Stichting heeft gedaan en wel ten titel van de schuld van die Stichting uit hoofde van geldlening, aldus het subonderdeel. Voor zover het hof dit alles niet heeft miskend, heeft het, nog steeds volgens het subonderdeel, in elk geval niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden het heeft gemeend dat [eiser] zijn schuld jegens [verweerster] in de zin van art. 3:318 BW Pro heeft erkend.
Beklamel-norm) en dus niet een vordering tot terugbetaling van de geldlening (rov. 4.14 en 4.15), getuigt het oordeel van het hof in de derde volzin van rov. 4.17 volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting van de wettelijke criteria van de stuitingshandeling zoals bedoeld in art. 3:317 BW Pro. De betreffende brief van 18 december 2009 van [verweerster] (bijlage 4 bij productie 12 in eerste aanleg) die het hof kennelijk als een schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 BW Pro heeft beschouwd, is immers een mededeling die aan
de Stichtingis gericht, en die betrekking heeft op de vordering van [verweerster] jegens de Stichting
tot terugbetaling van de geldleningdie (uitsluitend) deze partijen zijn aangegaan. In elk geval is voornoemd oordeel, nog steeds volgens het subonderdeel, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, nu het hof van een onjuiste en onbegrijpelijke lezing van de genoemde brief van 18 december 2009 is uitgegaan, zodat zijn oordeel dat door die brief de verjaringstermijn op die datum op grond van art. 3:317 BW Pro is gestuit, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
“enige aflossingen”die [eiser]
“op de lening”(onderstreping toegevoegd; LK) heeft gedaan. Het staat vast dat de lening is verstrekt aan de Stichting en niet aan [eiser] in privé (zie rov. 4.1 van het bestreden arrest en hiervóór onder 1.2). De
“aflossingen op de lening, laatstelijk op 12 oktober 2015”behelzen derhalve geen erkenning van de rechtsvordering (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid) die [verweerster] op [eiser] pretendeert, doch hoogstens een erkenning van de rechtsvordering die [verweerster] op grond van de overeenkomst van geldlening op de Stichting heeft [12] .
“terugbetaling(onderstreping toegevoegd; LK)
”en deze
“terugbetaling”onmiskenbaar ziet op de overeenkomst van geldlening tussen [verweerster] en de Stichting (zie rov. 4.1 van het bestreden arrest en hiervoor onder 1.2) en niet op de schadevergoedingsvordering van [verweerster] op [eiser] (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid), heeft het miskend dat de schriftelijke aanmaning in de zin van art. 3:317 BW Pro betrekking moet hebben op de
rechtsvorderingten aanzien waarvan een beroep op stuiting wordt gedaan.
subonderdeel I.4.3betoogt - ook de beslissingen in de vierde, vijfde en zesde volzin van rov. 4.17, die op het met subonderdeel 1.4.1 bestreden oordeel voortbouwen, niet in stand blijven.