Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.4 ten aanzien van de schuld aan tandartsenpraktijk Kleinsma en [verzoeker] en luidt als volgt. [verzoeker] heeft onder grief 1 aangevoerd dat deze schuld langer dan vijf jaar geleden is ontstaan en dus niet dient mee te wegen bij het oordeel of sprake is van goede trouw in de zin van artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro. Het hof heeft op deze grief niet beslist en de schuld aan Kleinsma en [verzoeker] kennelijk meegewogen in de goede trouw toets.
onderdeel 2wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de belastingschulden niet te goeder trouw zijn ontstaan omdat [verzoeker] er op aanraden van zijn boekhouder voor heeft gekozen om deze voor zich uit te schuiven en eerst zijn huis op te knappen. Deze motivering is volgens het onderdeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en miskent dat [verzoeker] niet in staat was om de schulden te betalen.
Onderdeel 3van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de ROZ-schuld te goeder trouw is geweest, omdat hij onvoldoende informatie heeft verstrekt over het ontstaan van de schuld. Deze overweging is volgens het onderdeel onbegrijpelijk omdat het hof uitsluitend heeft geoordeeld over het ontstaan van een tweetal schulden (belastingdienst en ROZ) in plaats van te oordelen over het geheel van de schulden. Het hof heeft daarmee miskend dat er een verband is tussen het ontstaan van de schulden in het verleden, het onbetaald laten van de schulden en de huidige of toekomstige insolventietoestand.
Onderdeel 4van het middel klaagt erover dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Aangevoerd wordt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 288 lid 3 Fw Pro door te overwegen dat voor een geslaagd beroep op dit artikel - dat met name ziet op echte gedragsaspecten – noodzakelijk is dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt, die blijkt uit het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Volgens het onderdeel miskent het hof hiermee, dat bij de toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro ook andere criteria de doorslag kunnen geven, zeker nu in het onderhavige geval geen sprake is van een persoon met een verslaving of psychosociale problematiek en dat deze bepaling (daarnaast) ook moet worden gezien als een meer algemeen correctiemiddel bij de invulling waarvan de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. Het hof heeft in zijn beslissing onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in dit geval met de toepassing van dit algemene correctiemiddel geen toegang tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden verleend.