Conclusie
eerste middelbevat twee klachten, die gezamenlijk kunnen worden besproken. Met de genoemde klachten wordt - naar de kern genomen - gesteld dat het hof in de bewezenverklaring tot twee keer toe heeft bewezenverklaard dat de verdachte witwasgedragingen heeft verricht met betrekking tot één of meer
bankbiljetten, terwijl de gebezigde bewijsmiddelen (enkel) zouden inhouden dat de verdachte betrokken is geweest bij verschillende
giraaluitgevoerde transacties.
eersteen geldbedrag van ongeveer $ 180.000,- (omgerekend € 136.154,44) op de bankrekening van zijn bedrijf heeft ontvangen en dit geldbedrag
vervolgensdoor hem naar verschillende eigen bankrekeningen is overgeboekt, in grotere en kleinere coupures contant is opgenomen en aan [betrokkene 1] is gegeven. De bewezenverklaring betreft dus niet, zoals de steller van het middel meent, een cumulatieve bewezenverklaring waarbij de in het eerste gedeelte daarvan genoemde witwasgedragingen (het verhullen van de herkomst, het verhullen van de rechthebbende en het voorhanden hebben) en de in het tweede gedeelte daarvan genoemde witwasgedragingen (het overdragen en het omzetten) betrekking hebben op
verschillende(hoeveelheden) bankbiljetten.
encontante opnames - heeft witgewassen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelwordt geklaagd dat het hof ten aanzien van één van de in zijn (nadere) bewijsoverwegingen genoemde feiten en omstandigheid heeft nagelaten met voldoende mate van nauwkeurigheid het (onderliggende) wettige bewijsmiddel aan te duiden.
gehelegeldbedrag van $ 180.000,- op zijn kantoor heeft bewaard en op straat heeft overgedragen, wordt nog opgemerkt dat deze omstandigheid slechts één van de vele door het hof relevant geachte omstandigheden vormt. Aangezien de genoemde omstandigheid bovendien grotendeels in het verlengde van de overige relevant geachte omstandigheden ligt, heeft de verdachte ook in dit opzicht geen belang bij het middel.
derde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het hof innerlijk tegenstrijdig is, aangezien het hof, enerzijds, heeft bewezenverklaard dat de verdachte “redelijkerwijs kon vermoeden” dat het op de bankrekening van zijn bedrijf ontvangen geldbedrag uit misdrijf afkomstig was en, anderzijds, gebruik heeft gemaakt van bewijsmiddelen waaruit zou blijken dat de verdachte zelf door het hof wordt gezien als pleger van een aan het witwassen voorafgaand oplichtingsdelict. Voor zover het hof er inderdaad vanuit is gegaan dat de verdachte pleger van een dergelijk oplichtingsdelict is, is volgens de steller van het middel niet begrijpelijk dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de criminele herkomst van het genoemde geldbedrag (enkel) redelijkerwijs kon
vermoeden.