Conclusie
middelklaagt over de verwerping van een beroep op noodweer met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit.
nochvoorafgaand aan de confrontatie met de verdachte
nochtijdens deze confrontatie zelf het gebruik van geweld als zelfstandig doel had. Het oordeel van het hof dat de verdachte het ontstaan c.q. voortduren van de genoemde confrontatie steeds in zijn eigen macht had en zich voor hem dus geen noodweersituatie voordeed, getuigt gelet op het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is dit oordeel onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat de in de toelichting op het middel betrokken stelling dat de vechtpartij van de verdachte en zijn echtgenote door deze laatste is geinitieerd niet strookt met het beeld dat het hof zich kennelijk van de onderhavige zaak heeft gevormd, nu het hof voor het bewijs onder meer gebruik heeft gemaakt van de aangifte van de echtgenote van de verdachte die inhoudt dat de verdachte zijn echtgenote voordat zij tot bijten overging met zijn linkerarm om haar nek pakte (bewijsmiddel 1). [1]