Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
“de vereffenaar (…) mitsdien niet onrechtmatig [handelt] jegens de schuldeisers door de uitdelingslijst toe te passen zoals was voorgesteld en verbindend is geworden (namelijk met preferentie)”.Geklaagd wordt dat het hof aldus miskent dat indien art. 4:7 lid 1 BW Pro de loonvordering van de vereffenaar geen preferentie toekent, het opvoeren van die preferentie op de voorgestelde uitdelingslijst een onrechtmatige daad oplevert die tot schadeplichtigheid van de vereffenaar jegens de schuldeisers leidt. Het gegeven dat de schuldeisers deze onrechtmatig opgevoerde preferentie niet in een (tijdig ingestelde) verzetprocedure hebben aangevochten, doet daar, anders dan het hof oordeelt, niet aan af, aldus de klacht.
nietde vraag aan de orde of, en zo ja welke, voorrang voor wat betreft het loon van de vereffenaar uit art. 4:7 BW Pro voortvloeit. Die vraag speelde immers geen rol in de oordeelsvorming van het hof, dat met zoveel woorden overwoog dat deze vraag “geen nadere bespreking behoeft” (rov. 4.5.3). Het partijdebat in cassatie staat dan ook niet in het teken van de vraag naar de juiste uitleg van art. 4:7 BW Pro als zodanig, zodat het volledig uitwerken van deze kwestie buiten het bestek van deze conclusie valt. Ik volsta met de constatering dat hierover in de literatuur verdeeldheid bestaat, al lijkt zich een meerderheid van schrijvers af te tekenen voor de opvatting dat het loon van de vereffenaar als genoemd in art. 4:7 lid 1 sub c BW Pro met voorrang boven de (meeste) andere schulden uit de boedel dient te worden voldaan. [26] Het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters beveelt aan de vereffeningskosten aan te merken als boedelschuld (vgl. art. 182 Fw Pro). [27]
opvoeren” van de (niet door de wet toegekende) preferentie “in de voorgestelde uitdelingslijst” (zoals het subonderdeel dat verwoordt), maar dat de onrechtmatige daad was gelegen in de
uitdelingovereenkomstig de uitkeringslijst (zie rov. 4.3.2); het
uitvoerenvan die verbindend geworden lijst (zie rov. 4.3.3); of, voor een derde variatie op hetzelfde thema, het
toepassenvan de uitdelingslijst zoals deze was voorgesteld en verbindend geworden (zie rov. 4.5.2). Deze uitleg van de stellingen van de schuldeisers is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. De schuldeisers hebben immers in eerste aanleg gesteld dat de vereffenaar onrechtmatig heeft gehandeld door de kosten van vereffening bij voorrang te
betalen [28] , welke stellingen de kantonrechter – in appel onbetwist – aldus heeft uitgelegd dat volgens de schuldeisers de vereffenaar onrechtmatig heeft gehandeld door zijn vereffenaarsloon voor de voldoening van alle overige concurrente schuldeisers aan zichzelf te
voldoen(tussenvonnis, rov. 3.9) en naar aanleiding waarvan de kantonrechter heeft geoordeeld dat art. 4:7 lid 2 BW Pro niet toelaat dat de vereffeningskosten bij voorrang boven de overige schuldeisers uit het saldo van de nalatenschap worden
voldaan(rov. 3.16), zodat de vereffenaar een onjuiste wijze van
verdelingheeft gehanteerd (rov. 3.13). De schuldeisers hebben in hoger beroep hun stelling herhaald dat de vereffenaar onrechtmatig heeft gehandeld door zijn kosten bij voorrang te betalen en geconcludeerd dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de vereffenaar heeft gehandeld in strijd met art. 4:7 BW Pro door zich bij voorrang uit te betalen boven de andere crediteuren. [29]
rechtmatigis. [34] Voor handelen op basis van een voor partijen (en overige betrokken) verbindende uitdelingslijst, waartegen geen rechtsmiddel meer kan worden aangewend, zou dit m.i. niet anders moeten zijn. Zoals het hof – in cassatie, wat dit betreft, onbestreden – heeft vastgesteld, is ook in dit geval immers sprake van een “tenuitvoerlegging” (rov. 4.5.2) van de verbindend geworden uitdelingslijst.
“geacht moeten worden te hebben aanvaard”. Daartoe wordt aangevoerd dat ‘niet aanvechten’ niet gelijk staat met ‘aanvaarden’, dat het niet gaat om een kwestie van aanbod en aanvaarding en dat de preferentie van de vordering niet ter vrije bepaling van de schuldeisers staat. Voorts zou genoemd oordeel onjuist althans ontoereikend gemotiveerd zijn voor zover het hof het leerstuk van risicoaanvaarding of eigen schuld heeft toegepast.
in finedat er wellicht aansprakelijkheid zou kunnen zijn indien tenuitvoerlegging van de verbindend geworden uitdelingslijst misbruik van recht zou opleveren, maar dat dat niet gesteld is en daarvan in casu ook geen sprake is nu de opvatting van de vereffenaar over de uitleg van art. 4:7 BW Pro alleszins verdedigbaar en dus zeker niet onmiskenbaar onjuist is. Het subonderdeel klaagt dat deze oordelen onjuist althans ontoereikend gemotiveerd zijn voor zover het hof daarmee heeft miskend dat de maatstaf voor aansprakelijkheid van de vereffenaar is of door hem is gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.
onderdelen 2 en 3richten zich tegen rov. 4.6.2, respectievelijk rov. 4.6.3, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (voor de duidelijkheid geef ik ook rov. 4.6.1 weer):
daarbij komt…”), zodat de schuldeisers belang missen bij hun klacht.