Conclusie
middelkeert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klaagster een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag bij beschikking het klaagschrift van klaagster gegrond verklaard en het beslag op haar onroerende goederen en vorderingen opgeheven. De rechtbank oordeelde dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat in de straf- of ontnemingszaak tegen klaagster een geldboete of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden opgelegd. Dit oordeel baseerde de rechtbank mede op een niet-onherroepelijk arrest van het Hof Den Haag waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze beschikking en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte vooruitliep op de uitkomst van de strafzaak, die nog niet onherroepelijk was. De Hoge Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de rechtbank bij haar beoordeling van het beslag niet mocht anticiperen op een mogelijke toekomstige uitspraak in de strafzaak.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing, waarbij het juiste toetsingskader voor beslag op grond van artikel 94a Sv moet worden toegepast zonder vooruit te lopen op de uitkomst van de strafzaak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling zonder vooruit te lopen op de uitkomst van de strafzaak.