Conclusie
middelkeert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klaagster een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag bij beschikking van 11 november 2014 het klaagschrift van klaagster gegrond verklaard en het beslag op haar onroerende goederen, zaken en vorderingen opgeheven. Dit beslag was gelegd op grond van art. 94a Sv in een strafzaak waarin het Openbaar Ministerie (OM) klaagster vervolgde.
De rechtbank oordeelde dat het hoogst onwaarschijnlijk was dat in de straf- of ontnemingszaak een geldboete of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan klaagster zou worden opgelegd. Dit oordeel baseerde de rechtbank mede op een arrest van het Hof Den Haag van 2 juli 2014 waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de strafvervolging tegen klaagster, en op een vonnis van 8 oktober 2014 waarin de rechtbank het OM niet-ontvankelijk verklaarde in de ontnemingsvordering.
Het OM stelde cassatie in tegen deze beschikking en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte vooruitliep op de mogelijke uitkomst van de strafzaak die nog niet onherroepelijk was. De Hoge Raad volgde dit standpunt en vernietigde de beschikking. De Hoge Raad benadrukte dat bij de beoordeling van een beslag op grond van art. 94a Sv niet mag worden uitgegaan van een nog niet onherroepelijke beslissing in de strafzaak, omdat een cassatieberoep kan leiden tot een nieuwe behandeling van de zaak.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekte tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing of terugwijzing zoals de Hoge Raad passend acht. Deze zaak hangt samen met meerdere andere zaken waarin eveneens conclusies zijn uitgebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking die het beslag op onroerende goederen heeft opgeheven omdat de strafzaak nog niet onherroepelijk was.