Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
‘vergoedingsregeling (…) voor de investering van de huurder in de golfbaaninrichting, van welke investering(en) de BV door natrekking eigenaar is geworden, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment.’ [4]
€ 119.990
3.Het geding in cassatie
4.Wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
Relevante wet- en regelgeving
Heithuis: [15]
Heithuisen merkt op over het in onderdeel 4.18 hierboven opgenomen standpunt: [17]
‘zaak’verwijst louter naar het geval waarin de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht van bezittingen heeft, en waarin hem het risico van waardemutatie en tenietgaan (het belang) volledig aangaat. Met
‘rechten’zijn bedoeld al die situaties die niet onder het begrip ‘zaak’ vallen. Dat wil zeggen alle gevallen waarin niet het volledige gebruiks-
enhet volledige belang bij de belastingplichtige berusten.
Stevens [20] noteert dat allerhande rechten op onroerende zaken eveneens in box 3 vallen. Over huurrechten schrijft hij:
5.Beschouwing en behandeling van het middel
een gerechtigdheid waarbij geen zakelijk of persoonlijk recht voor anderen op die zaak is gevestigd.” [32]
‘die in economische zin rendement kunnen opleveren’ [36] [37] – paste.
‘Met het begrip «zaak» (…) dus enkel bedoeld[is]
de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft’, [42] dan moet de conclusie hier zijn dat ook verhuur (tegen zowel zakelijke als onzakelijke voorwaarden) de kwalificatie tot ‘onroerende zaak’ blokkeert. Aldus wordt mijns inziens de eigendom van een verhuurde onroerende zaak als een op een dergelijke zaak betrekking hebbend recht belast op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b Wet IB 2001. [43]