Conclusie
Hoge Raad: 12/02502
bis
Rechtbank: 10/5437
HvJ EU: C-10/14, ECLI:EU:C:2015:608
Overzicht
Société Générale, en C-14/14,
X.) en heeft op 17 september 2015 de volgende antwoorden gegeven: (i) bij de belastingdrukvergelijking moet ook de inkomstenbelastingpositie van ingezeten aandeelhouders in de beschouwing worden betrokken; (ii) het referentietijdvak is het kalenderjaar; (iii) de drukvergelijking geschiedt niet per soort aandeel, maar voor het aandelenbezit als geheel, en (iv) rekening moet worden gehouden met het heffingsvrije vermogen. Niet relevant is dat een ingezetene, anders dan een niet-ingezetene, die alleen voor het werkelijke dividend wordt belast, ook voor fictief inkomen wordt belast in jaren waarin geen dividend wordt uitgekeerd of vermogensverlies wordt geleden.
2.Feiten, geschil en prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU
3.De antwoorden van het Hof van Justitie van de EU
Miljoen; de belanghebbende), C-14/14 (
X) en C-17/4 (
Société Générale).
nietaan de orde gestelde heffingsvrije vermogen:
4.De reacties van de partijen op het arrest van het Hof van Justitie EU
D. v inspecteur [4] (over de belastingvrije som in de vroegere Nederlandse vermogensbelasting), maar wat daarvan zij, nu feitelijk vaststaat dat ook mét inaanmerkingneming van heffingsvrij vermogen de belanghebbende niet zwaarder wordt belast dan hij voor hetzelfde aandelenbezit in box 3 zou zijn belast, kunt u de zaak zijns inziens afdoen met ongegrondverklaring van belanghebbendes cassatieberoep.
5.Toepassing van de antwoorden en enige overwegingen ten overvloede
nietkan onttrekken aan (een deel van) box 3:
X, waarin de aanspraak op heffingsvrij vermogen wél in geschil is –
hoe‘rekening moet worden gehouden’ met het heffingsvrije vermogen bij de vergelijking met ingezetenen.
bis) is de toerekening van het heffingsvrije vermogen wél een kwestie. In die zaak concludeer ik vandaag eveneens nader.
bis) (HvJ EU zaak C-17/14,
Société Générale), lijkt ’s Hofs ongemotiveerde categorische afwijzing, in die zaak, van inaanmerkingneming van zelfs rechtstreeks toerekenbare financieringslasten echter principieel te impliceren dat voor niet-ingezeten particulieren evenmin rekening gehouden kan worden met financieringsschulden bij de vergelijking met ingezeten natuurlijke personen in box 3. Het Hof presenteert zijn veronachtzaming van toerekenbare financiering in de zaak
Société Généraleimmers niet als doelmatigheidsrechtvaardiging voor een wel degelijk bestaande discriminatie van niet-ingezeten vennootschappen, maar als onderdeel van de objectieve vergelijking van ingezetenen en niet-ingezetenen, dus als een ontkenning van het bestaan van een discriminatie c.q. belemmering van het vrije kapitaalverkeer. Indien de veronachtzaming van toerekenbare financiering in de zaak
Société Générale(wél) zou berusten op een rechtvaardigingsgrond, nl. op de ondoenlijkheid van die toerekening, dan zou die zaak geen gevolgen hoeven hebben voor natuurlijke personen zoals de belanghebbende, nu die toerekeningsondoenlijkheid zich niet hoeft voor te doen bij de vergelijking met de box 3 heffing van ingezeten particulieren in plaats van bij de winstbepaling van ingezeten vennootschappen. Maar het Hof veronachtzaamt de financiering reeds bij de vergelijkingsvraag, dus bij de vraag of überhaupt sprake is van een belemmering; hij zegt in wezen dat die veronachtzaming bij niet-ingezeten belastingplichtigen
in het algemeengéén discriminatie of belemmering is; dan dus ook niet bij particulieren.
Société Généraleniet verhindert, althans niet behoort te verhinderen, dat voor niet-ingezeten particulieren bij de vergelijking met ingezeten box 3 belastingplichtigen rekening wordt gehouden met schulden.
Welkec.q. welk
deelvan hun schulden toegerekend moet(en) worden aan hun Nederlandse aandelen is nog even een vraag. In belanghebbendes geval moet, bij gebrek aan enig geschil over schulden, aan dit vraagstuk voorbij gegaan worden.
6.Nadere conclusie
Luxembourg loopniet tot cassatie leidt.