Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Hoge Raad: 12/04717
bis
Rechtbank: AWB 10/1918; 11/2579; 11/2580; 11/2582; 11/2583;
Gerechtshof: 11/00653 t/m 11/00658
HvJ EU: C-14/14, ECLI:EU:C:2015:608
1.Overzicht
bronstaat niet verplicht is de inkomstenbelasting in de beschouwing te betrekken die hij als
woonstaat heft.
Schumacker-situatie verkeerde, zij geen aanspraak op heffingsvrij vermogen had; (iii) dat het discriminerende deel van de Nederlandse dividendbelasting niet is geneutraliseerd omdat België de in het belastingverdrag voorziene verrekening eenzijdig heeft vervangen door aftrek van de Nederlandse dividendbelasting van de grondslag, en (iv) dat het EU-recht zich niet verzet tegen een dergelijke
treaty override, zodat Nederland de genoemde € 527 moet restitueren.
Société Générale, en C-10/14,
Miljoen) en heeft op 17 september 2015 de volgende antwoorden gegeven: (i) bij de belastingdrukvergelijking moet ook de inkomstenbelastingpositie van ingezeten aandeelhouders in de beschouwing worden betrokken; (ii) het referentietijdvak is het kalenderjaar; (iii) de drukvergelijking geschiedt niet per soort aandeel, maar voor het aandelenbezit als geheel, en (iv) rekening moet worden gehouden met het heffingsvrije vermogen. Niet relevant is dat een ingezetene, anders dan een niet-ingezetene, die alleen voor het werkelijke dividend wordt belast, ook voor fictief inkomen wordt belast in jaren waarin geen dividend wordt uitgekeerd of vermogensverlies wordt geleden. Op uw derde vraag antwoordde het Hof dat in belanghebbendes geval (aftrek in plaats van verrekening in haar woonstaat) een belemmering van het kapitaalverkeer door hogere dividendbelastingheffing - behoudens door u te verrichten verificaties - niet gerechtvaardigd kan worden geacht door neutralisering in de woonstaat.
Schumackeren
D v Inspecteur) rechtspraak, nu de belanghebbende zich niet in een
Schumacker-positie bevindt, maar de Commissie wijst erop dat het in casu niet zozeer gaat om de vraag of een niet-inwoner recht heeft op heffingsvrij vermogen (zoals in
Schumackeren
D v Inspecteur), maar om de (vergelijkings)vraag welke effectieve belastingdruk de ingezeten maatman ter zake van hetzelfde aandelenbezit ondervindt in box 3. Voorts is het niet uitgesloten, gezien ’s Hofs (erfbelasting)arresten Mattner en Welte, dat het Hof aan het overstappen is van de alles-of-niets-Schumacker-rechtspraak naar een correcter
pro ratanationale behandeling van niet-inwoners met betrekking tot belastingvrije sommen en dergelijke.
2.Feiten, geschil en prejudiciële verwijzing
bronstaat niet verplicht is de inkomstenbelasting in de beschouwing te betrekken die hij als
woonstaat heft.
Schumacker-situatie verkeerde, zij geen aanspraak op heffingsvrij vermogen had; (iii) dat het discriminerende deel van de Nederlandse dividendbelasting niet is geneutraliseerd door verrekening in België omdat België het in het toepasselijke belastingverdrag voorziene verrekeningsrecht frustreert door zijn interne wetgeving zodanig te wijzigen dat slechts aftrek van de Nederlandse dividendbelasting wordt verleend en (iv) dat het EU-recht zich niet verzet tegen een dergelijke
treaty override, zodat Nederland het genoemde bedrag ad € 527 moet restitueren. Aangezien het Hof Den Bosch tot die uitkomst was gekomen, concludeerde ik dat beide cassatieberoepen ongegrond zijn.
Miljoen) waarin ik heden eveneens nader concludeer. Vraag 1 is ook gelijk aan vraag 1 in de zaak 12/03235 (bis) (HvJ EU zaak C-17/14,
Société Générale), waarin ik op 23 december nader concludeerde. Vraag 3 lijkt op vraag 3 in de laatstgenoemde zaak, maar wijkt daar op onderdelen van af. Het laatste onderdeel van vraag 2 ontbrak in zaak C-10/14,
Miljoen, omdat Miljoen expliciet had afgezien van aanspraak op heffingsvrij vermogen.
3.De antwoorden van het Hof van Justitie van de EU
Miljoen), C-14/14 (
X; de belanghebbende) en C-17/4 (
Société Générale).
4.De reacties van de partijen op het arrest van het Hof van Justitie EU
D. v inspecteur, [4] over de belastingvrije som in de vroegere Nederlandse vermogensbelasting, die door het Hof wél werd aangemerkt als een persoonlijke tegemoetkoming die niet aan niet-ingezetenen verstrekt hoeft te worden (behalve als zij in een
Schumacker-positie verkeren). De Staatssecretaris wijst ook op uw arrest HR BNB 2011/44, dat inhoudt dat het heffingsvrije vermogen een belastingvoordeel is dat voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene. De Staatssecretaris betwijfelt of het HvJ EU doel en strekking van het heffingsvrije vermogen heeft doorgrond, dat vooral ten goede komt aan kleine spaarders.
pro rataaan belanghebbendes Nederlandse certificaten kan worden toegerekend. Hij gaat uit van een gemiddelde waarde van Nederlandse beleggingsaandelen ad € 1.298.245 en een gemiddelde waarde van het wereldvermogen ad € 2.558.376, resulterende in toerekening van € 1.298.245/€ 2.558.376 x € 20.014 = € 10.157 aan heffingvrij vermogen aan de Nederlandse beleggingsaandelen. Het nadeel voor belanghebbende bedraagt dan € 648,75 omdat de vergelijkbare box 3-heffing voor een overigens gelijke ingezetene € 15.457,05 zou bedragen (1,2% van (€ 1.298.245 minus € 10.157).
5.Toepassing van de antwoorden
hoemoet met het heffingsvrije vermogen ‘rekening gehouden’ worden? (ii) leidt de aftrek van de Nederlandse dividendbelasting van de heffingsgrondslag in België tot enige mate van neutralisering van de Nederlandse excesheffing?
D v Inspecteur, of met zijn
Schumacker-rechtspraak ter zake van de inkomstenbelasting.
Schumacker-positie bevond. De Commissie merkt voorts op dat het niet zozeer gaat om de vraag of een niet-inwoner recht heeft op heffingsvrij vermogen (zoals in de zaken
Schumackeren
D v Inspecteur), maar om de (vergelijkings)vraag welke effectieve belastingdruk de ingezeten maatman ter zake van hetzelfde aandelenbezit ondervindt in box 3. De Commissie plaatst het door u genoemde arrest
Welteook in de sleutel van die vergelijkingsvraag (ik laat voetnoten weg):
Aangezien de hoogte van de belastingvrije som niet afhankelijk is van de hoogte van de heffingsgrondslag, maar wordt toegekend aan de erfgenaam als belastingplichtige, is de beperkte belastingplicht van de niet-ingezeten erfgenaam van een niet-ingezeten erflater dus geen omstandigheid die ertoe kan leiden dat de situatie van deze erfgenaam, gelet op de belastingvrije som, objectief verschilt van de situatie van de niet-ingezeten erfgenaam van een ingezeten erflater dan wel van die van de ingezeten erfgenaam van een ingezeten of niet-ingezeten erflater."
de heffingsgrondslag voor ingezetenen wijzigt, en dat er
daaromrekening mee gehouden moet worden bij de drukvergelijking tussen ingezeten belastingplichtigen en niet-ingezeten belastingplichtigen. Hij verwijst daarbij bovendien naar verwijst naar onderdeel 83 van de conclusie van A-G Jääskinen (die weer naar de Commissie verwijst), dat als volgt luidt (ik laat voetnoten weg):
heffingvrije vermogendat enkel aan ingezeten belastingplichtigen toevalt. Aangezien de heffingsgrondslag van de door ingezetenen ontvangen inkomsten en dus de uiteindelijke belastingdruk door een dergelijke vrijstelling van een deel van het vermogen wordt gewijzigd, moet er volgens mij in de onderhavige vergelijking rekening mee worden gehouden, zoals ook bepleit door X en de Commissie, die terecht steunt op het doel dat met deze regel wordt beoogd.”
Mattner [6] en
Welte, waarin – anders dan in de
Schumacker-rechtspraak - de situs/bronstaat verplicht wordt tot nationale behandeling van niet-inwoners bij de toepassing van belastingvrije sommen in de erfbelasting ter zake van binnenlandse situsgoederen. Het ziet er naar uit dat het Hof aan het overstappen is van het alles-of-niets-systeem van het
Schumacker-criterium (‘nagenoeg geheel’) op een (wel correct)
pro ratasysteem van toerekening van belastingvrije sommen en dergelijke. In de conclusie voor HR BNB 2015/87 [7] kwam ik na een analyse van de relevante HvJ-jurisprudentie de volgende slotsom:
Schumacker-jurisprudentie toch niet zo gelukkig is, lijkt het Hof die jurisprudentie thans te beperken tot de inkomstenbelasting. Bij de erfbelastingen is hij een andere koers gaan varen, terecht niet accepterende dat de situsstaat nationale behandeling van beperkt belastingplichtigen c.q. in grensoverschrijdende situaties weigert. Het is rechtspolitiek lastig om zichtbaar terug te komen op de helaas nogal expliciete arresten
Gillyen
De Groot, hetgeen de moeilijk te volgen en, naar boven bleek, inadequate en niet-overtuigende redenering van het Hof in de geciteerde erfbelastingzaken [
Mattneren
Welte; PJW] kan verklaren. Het resultaat van die moeizame en inadequate redenering is echter wel duidelijk én mijns inziens correct: zij leidt tot de verplichting van de situsstaat om nationale behandeling te verlenen, hoewel het Hof de bronstaat daartoe in
Schumackeren
De Grootnog niet verplicht achtte voor de inkomstenbelasting. Hopelijk betekent deze erfbelastingrechtspraak dat op termijn de onjuiste
Schumacker-leer ook voor de inkomstenbelasting ten grave gedragen zal worden en niet-inwoners ook voor die belasting nationale behandeling deelachtig zal worden (hetgeen betekent: niet slechter dan fractionele belastingheffing: niet slechter dan bij toekenning van vrijstellingen en tegemoetkomingen naar rato van het deel van de totale grondslag dat door de situs/bronstaat belast wordt).”
Mattner/Welte-rechtspraak, zijn arrest
D v Inspecteuren zijn
Schumacker-rechtspraak hebben, denk ik, niet zoveel zin. Ofwel het Hof heeft zich bedacht en is zijn
Schumacker-leer aan het inruilen voor een (beter) pro rata systeem van nationale behandeling, ofwel hij meent dat het heffingsvrije vermogen een efficiency- en tariefmaatregel is, of beide. Het resultaat is hetzelfde: voor de belastingdrukvergelijking tussen niet-ingezetenen en ingezetenen moet met de voetvrijstelling rekening gehouden worden omdat zij de druk voor ingezetenen verlaagt. Dat betekent mijns inziens dat die vrijstelling toegerekend moet worden aan belanghebbendes gehele vermogen voor zover het bij ingezetenschap in box 3 zou vallen, want aldus geschiedt bij ingezetenen en er moet met ingezetenen vergeleken worden. De voetvrijstelling is niet alleen niet persoonsgebonden, zij is evenmin objectgebonden; zij kan alleen aan het gehele box 3 vermogen toegerekend worden.
Miljoen) heb uiteen gezet, is ’s Hofs
Amurta-rechtspraak zinloos (het heeft geen zin om te eisen dat de neutralisering in de woonstaat van een discriminerende bronheffing berust op een verdrag in plaats van op nationaal recht van de woonstaat), maar is dat in casu niet relevant omdat het niet om verrekening gaat, maar om aftrek. Zoals uiteengezet in punt 7.10 van die eerste conclusie, kan aftrek niet tot neutralisering leiden, ook niet deels, omdat 25% van een bedrag (aftrek) altijd minder is dan 100% van een bedrag (verrekening).
9.Nadere conclusie
Luxembourg loopongegrond is, maar geef u nader in overweging belanghebbendes cassatieberoep gegrond te verklaren voor zover gericht tegen de veronachtzaming van het heffingsvrije vermogen bij de belastingdrukvergelijking en de zaak zelf af te doen.