Conclusie
poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Tevens heeft het hof alsnog de tenuitvoerlegging gelast van de gevangenisstraf die, als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, niet ten uitvoer was gelegd, zulks te ondergaan voor een gedeelte van 120 dagen.
de door het openbaar ministerie onder parketnummer 99-000244-37 ingediende vordering” en heeft “
gelast dat het gedeelte van de gevangenisstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog ten dele, te weten voor de duur van 120 dagen, moet worden ondergaan.”
onverwijlde indiening’” van de vordering, het tweede middel op de mogelijkheid een taakstraf als “
bijzondere voorwaarde” te stellen aan de voorwaardelijke veroordeling, namelijk bij wijze van een “
andere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende” als bedoeld in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr, terwijl het derde middel betrekking heeft op het al of niet bestaan van de mogelijkheid om in plaats van de te herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling een taakstraf te gelasten.
eerste middelbehelst de rechtsklacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de vordering “
onverwijld” is ingediend als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, Sr, terwijl de vordering niet onverwijld aan de verdachte is betekend.
onverwijld” indient “
bij de rechtbank”. De wet schrijft in artikel 15i, zesde lid, Sr niet voor dat de vordering “
onverwijld” aan de veroordeelde wordt betekend, maar dat het OM de veroordeelde doet oproepen tot bijwoning van de zitting “
onder betekening van de vordering aan de veroordeelde”.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “
bijzondere voorwaarden” in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr.
andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende”, heeft het hof overwogen dat het verrichten van onbetaalde arbeid (een “
taakstraf”) niet kan worden geschaard onder de “
andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende” die worden genoemd in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr.
Doelen zijn daarbij de beveiliging van de samenleving en het voorkomen van recidive. Bij de voorwaardelijke veroordeling gelden deze doelen ook, maar staan de bijzondere voorwaarden veel meer in het teken van een vorm van bestraffing die een alternatief is voor een gevangenisstraf.” [3] Vanuit dit perspectief bezien past de taakstraf nog eens te minder bij de in artikel 15a Sr genoemde bijzondere voorwaarden.
het verrichten van onbetaalde arbeid” als voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging is het OM uitdrukkelijk gegeven in artikel 74, tweede lid onder f, Sr. Ik acht het niet zonder betekenis dat een dergelijke uitdrukkelijke grondslag in art. 15a, derde lid, Sr niet te vinden is. Bovendien zouden in het kader van de bijzondere voorwaarden nadere regels ontbreken zoals die in artikel 9, vierde lid, Sr zijn gegeven met betrekking tot de verhouding tussen de taakstraf en de hoogte van het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf, en de uitzondering van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, die in artikel 74, eerste lid, Sr is gegeven.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de artikelen 15g en 15j Sr heeft geschonden door de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet om te zetten in een taakstraf voor de duur van 240 uren.
het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd”. De wet voorziet in het kader van de beoordeling van de vordering, naar de letter dus slechts in de tenuitvoerlegging van een “
vrijheidsstraf” en niet in het tenuitvoerleggen van een andere (hoofd)straf. Wel kan de rechtbank in haar beslissing “
adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden”, zoals in artikel 15j, eerste lid, Sr is bepaald. Zoals bij de bespreking van het tweede middel is uiteengezet, valt daaronder niet het verrichten van een taakstraf. Kortom, de rechtbank noch het hof kunnen in de beslissing omtrent de vordering adviseren tot het verrichten van een taakstraf. Naast de mogelijkheid van advisering, biedt artikel 15j, eerste lid, Sr slechts ruimte om de vordering toe te wijzen of geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
onverwijld” een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling indient indien het van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, terwijl in de laatste volzin is bepaald dat het OM “
slechts” van de vordering afziet indien naar zijn oordeel met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan. Hieruit volgt dat in de wettelijke regeling het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling als regel voorop is gesteld en dat de andere sanctiemodaliteiten – waarop ik nog terugkom – te weten, het wijzigen van de voorwaarden of het geven van een waarschuwing, tot de uitzonderingen behoren.
gedeeltelijkzal hebben te ondergaan.