ECLI:NL:PHR:2015:2600

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2015
Publicatiedatum
2 februari 2016
Zaaknummer
15/00384
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 116 SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking inzake beslag motorblok motorfiets wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een beklagprocedure over het beslag op een motorfiets waarvan het motorblok was uitgezonderd. De rechtbank verklaarde het beklag gegrond voor de motorfiets zonder motorblok en gelastte teruggave, maar verklaarde het beklag ten aanzien van het motorblok impliciet ongegrond zonder nadere motivering.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank had moeten beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op het motorblok vordert, dan wel of een ander dan klager als rechthebbende moet worden beschouwd. De rechtbank heeft dit nagelaten en heeft haar beslissing niet gemotiveerd, waardoor het middel gegrond is.

De conclusie van de AG benadrukt dat de uitlating van het OM over het niet voortduren van het beslag mogelijk ook het motorblok betrof, maar dat de rechtbank in dat geval had moeten motiveren waarom een ander als rechthebbende werd aangenomen. Het enkele feit dat het motorblok gestolen was, betekent niet automatisch dat een ander als rechthebbende geldt.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking voor zover het het motorblok betreft en verwijst de zaak terug voor een passende beslissing, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor het motorblok wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug.

Conclusie

Nr. 15/00384 B
Zitting: 24 november 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft bij beschikking van 7 januari 2015 het door klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv
- gegrond verklaard voor wat betreft de motorfiets, kenteken [AA-00-BB], met uitzondering van het motorblok,
- niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de scooter, kenteken [CC-00-DD] en
- de teruggave gelast aan klager van die motorfiets, kenteken [AA-00-BB] met uitzondering van het motorblok.
2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.
3. Namens klager heeft mr. N. Velthorst, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank voor zover dat betrekking heeft op het uitgezonderde motorblok.

4.Verloop van de procedure

4.1.
Het gaat in deze beklagprocedure voor zover hier van belang om een op 14 april 2010 onder klager inbeslaggenomen motorfiets met kenteken [AA-00-BB]. De inbeslagneming volgde omdat het motorblok gestolen zou zijn. Op 1 oktober 2014 heeft verzoeker een klaagschrift ingediend met het verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave van de goederen. Bij de behandeling in raadkamer van 7 januari 2015 heeft de Rechtbank melding gemaakt van een ook in het dossier bevindende e-mail van de officier van justitie die inhoudt dat naar het oordeel van het openbaar ministerie de motorfiets zonder motorblok kan worden geretourneerd aan betrokkene. In overeenstemming daarmee heeft de officier van justitie in raadkamer meegedeeld dat er geen strafvorderlijk belang meer bestaat het beslag langer te doen voortduren en dat de motor zonder motorblok kan worden geretourneerd aan betrokkene.
4.2.
De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard voor wat betreft de motorfiets, kenteken [AA-00-BB], met uitzondering van het motorblok en de teruggave gelast van die motor met uitzondering van het motorblok. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten.
Feiten en omstandighedenBlijkens een kennisgeving inbeslagneming van 24 juli 2013 is op grond van artikel 94 Sv Pro op 14 april 2010 beslag gelegd op de hiervoor genoemde motor. (…)
OverwegingenKlager wenst het inbeslaggenomen voorwerp terug te krijgen.
De officier van justitie is van oordeel dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de gevraagde teruggave van de Suzuki zonder het motorblok. De rechtbank zal daarom de teruggave gelasten.
(…)

5.Het middel

5.1.
Het middel keert zich als gezegd tegen de beslissing voor zover die het motorblok betreft. Het middel betoogt dat de Rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag op het motorblok vordert en zo nee, of een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
5.2.
Bij inbeslagneming op basis van art. 94 Sv Pro dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.
5.3.
Voorts geldt dat ingevolge art. 116, eerste lid, Sv het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen doet teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. [1]
5.4.
Tot zoverre het wettelijk kader. De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking het motorblok weliswaar uitgezonderd van de gegrondverklaring van het beklag en van de beslissing tot teruggave van de motor aan klager, maar verder niets met betrekking tot dat motorblok bepaald. Op grond daarvan kan verdedigd worden dat de Rechtbank in zoverre in strijd met de wet heeft verzuimd een beslissing te geven op het gedane beklag. Ik zou het er evenwel – met kennelijk de steller van het middel – voor willen houden dat in de bestreden beschikking besloten ligt dat de Rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard voor zover dat betrekking heeft op het motorblok.
5.5.
Deze impliciete beslissing van de Rechtbank is op geen enkele wijze gemotiveerd, zodat niet duidelijk is welke maatstaven de Rechtbank daarbij heeft gehanteerd. Dat betekent dat het middel slaagt. Ik merk daarbij nog het volgende op. Niet geheel duidelijk is of de in raadkamer gedane uitlating van de officier van justitie dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzette, ook betrekking had op het motorblok. Als de Rechtbank die uitlating in die ruime zin heeft verstaan, is dat denk ik niet onbegrijpelijk, mede omdat moeilijk valt te bedenken welk belang van de strafvordering nog met de handhaving van het beslag op het motorblok gemoeid kan zijn. Het meest aannemelijk is in elk geval dat de uitzondering die de officier van justitie ten aanzien van het (gestolen) motorblok maakte, berustte op het oordeel dat een ander (namelijk de bestolene) redelijkerwijs als rechthebbende op dat motorblok diende te worden aangemerkt. Als de Rechtbank het standpunt van de officier van justitie inderdaad in die zin heeft verstaan, mocht zij niet treden in de vraag of het belang van de strafvordering voortduring van het beslag vordert, zodat niet met succes geklaagd kan worden dat zij haar beslissing op dit punt niet nader heeft gemotiveerd. De Rechtbank had echter, zo zij met de officier van justitie van oordeel is geweest dat een ander als rechthebbende diende te worden aangemerkt, dienen te motiveren waarop dat oordeel berustte. Ik merk daarbij op dat het enkele feit dat het motorblok (eens) is gestolen, gezien het bepaalde in art. 3:86 BW Pro niet zonder meer meebrengt dat een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd.
5.6.
Het middel is gegrond.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de (impliciete) ongegrondverklaring van het ten aanzien van het desbetreffende motorblok gedane beklag betreft, in zoverre tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.10.