Conclusie
4.Verloop van de procedure
5.De middelen
kennelijkeen strafonderzoek loopt tegen klager naar aanleiding van een verdenking van witwassen.” De Rechtbank is daarbij afgegaan op de enkele mededelingen van de officier van justitie tijdens de raadkamerbehandeling dat “het onderzoek nog in volle gang is”; dat “klager wordt verdacht van witwassen” en dat “het niet onwaarschijnlijk [is] dat de in beslag genomen voorwerpen door de rechter verbeurd verklaard zullen worden.” De Rechtbank heeft dit alles niet geverifieerd of onderzocht. Het had – gelet op het incomplete dossier - op de weg van de Rechtbank gelegen het Openbaar Ministerie te verzoeken voor de te nemen beslissing relevante stukken aan het dossier toe te voegen. Dit geldt temeer nu de raadsman aanvoerde dat de relevante stukken ontbraken. [3] In de cassatieschriftuur wordt in dit verband terecht verwezen naar artikel 23 lid 5 Sv Pro. Dat artikellid schrijft in de eerste volzin voor dat het Openbaar Ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer overlegt. Daarmee wordt primair de rechterlijke oordeelsvorming gediend. Zonder de relevante stukken is de beklagrechter niet goed in staat zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag. De beklagrechter die van oordeel is dat hij vanwege het ontbreken van stukken onvoldoende in staat is om zich een oordeel te vormen, dient zich dan ook aanvullend te laten informeren. Door te overwegen dat zij – kort gezegd – over onvoldoende gegevens beschikte om het klaagschrift gegrond te verklaren, heeft de Rechtbank dit miskend. [4] Die overweging doet vermoeden dat de Rechtbank de bewijslast eenvoudig op de schouders van de klager heeft gelegd. En dat terwijl het in art. 552a Sv neergelegde beklagrecht één van de waarborgen is waarmee inbeslagneming is omgeven. Het gaat daarbij in elk geval primair om de bescherming van de rechthebbende tegen willekeurige bezitsontneming. Dat lijkt de Rechtbank volledig uit het oog te hebben verloren.