Conclusie
4.Voorgeschiedenis
De Beoordeling
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat het conservatoir beslag op een verzekeringspolis en banktegoeden centraal, gelegd door Luxemburgse autoriteiten naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude door klager. Klager, aandeelhouder van de betrokken vennootschappen, diende een klaagschrift in tot opheffing van het beslag, maar werd door de Rechtbank Oost-Brabant niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift werd aangemerkt als een herhaald beklag zonder nieuwe feiten.
De Rechtbank oordeelde dat de eerdere beslissingen in de beklagprocedures van de vennootschappen materieel gericht waren tot klager en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat in een latere strafprocedure een ontnemingsmaatregel tegen klager zou worden opgelegd. De Hoge Raad stelt echter dat de rechtbank ten onrechte klager en de vennootschappen procedureel heeft vereenzelvigd, waardoor onduidelijkheid ontstond over de toepasselijke maatstaven en het recht op eigen klaagschrift van klager werd miskend.
De Hoge Raad benadrukt dat bij conservatoir beslag ex art. 94a Sv de rechter moet toetsen of de klager als eigenaar kan worden aangemerkt en of zich omstandigheden voordoen die teruggave verhinderen. De vereenzelviging van klager met de vennootschappen is procedureel onjuist en leidt tot onwenselijke procedurele verwarring. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug voor een juiste beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling.