Conclusie
1.Millenergy v.o.f.,
KDE Energy B.V.,
Windwise B.V.,
4.[verweerster 4]
5.Enexis B.V.als rechtsopvolgster van Aktivabedrijf Enexis Noord B.V.,
OVERWEGENDE ALS VOLGT:
primair [4] dat partijen (van meet af aan) bedoeld hebben om niet direct na oprichting van de EDON/[verweerster 4]-vennootschap een projectvennootschap op te richten, maar pas op een later moment.
Subsidiair [5] - in afwijking van haar stellingen in eerste aanleg - betoogde [eiseres] dat partijen de voorovereenkomst op enig moment stilzwijgend hebben gewijzigd door af te zien van het direct oprichten van een gezamenlijke exploitatievennootschap c.q. dat zij in onderling overleg met goedvinden van alle partijen op een iets andere wijze uitvoering hebben gegeven aan de voorovereenkomst.
Meer subsidiair [6] voerde [eiseres] aan dat sprake is van stuiting van de verjaring in de zin van art. 3:318 BW Pro (erkenning). Daarnaast betoogde [eiseres] dat de overeenkomst ook zonder de oprichting van de exploitatievennootschap vorm had kunnen krijgen en, voor het geval de vordering niet op grond van de voorovereenkomst toewijsbaar is, dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
zo spoedig mogelijk na oprichtingde ontwikkeling van het project ter hand diende te nemen. Die activiteit bestaat blijkens de overeenkomst onder meer uit werkzaamheden die betrekking hebben op '
vergunningen e.d.welke noodzakelijk zijn om de in artikel 1.1 genoemde windparken als bouwklaar te realiseren'. Het ligt voor de hand - zoals [eiseres] ook lijkt aan te nemen - dat daarmee met name wordt gedoeld op milieu- en bouwvergunningen. Het verweer van [eiseres] tegen het beroep op verjaring komt er dus op neer dat partijen in strijd met deze expliciete taakomschrijving hebben bedoeld juist de totstandkoming van dergelijke vergunningen
af te wachtenvoordat de vennootschap zou worden opgericht. In het licht van het voorgaande is dat niet aannemelijk, temeer omdat van de zijde van [eiseres] niet wordt toegelicht op wiens schouders de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van dergelijke vergunningen dan wel zou komen te liggen. Dat het in de windmolenbranche gebruikelijk zou zijn om met de oprichting van exploitatiemaatschappijen te wachten totdat de vereiste vergunningen zijn verkregen (wat wordt bestreden), is onverenigbaar met de bewoordingen van de overeenkomst. [eiseres] heeft vooralsnog niet duidelijk gemaakt dat (en op grond waarvan) [verweerster 4] c.s. had behoren te begrijpen dat ondanks die bewoordingen het de bedoeling van [eiseres] was zich aan dat gebruik te conformeren en uit welke verklaringen of gedragingen van [verweerster 4] c.s. [eiseres] mocht afleiden dat deze daarmee instemde.
subsidiaireonderbouwing van de vordering, en niet als een verweer tegen het beroep op verjaring. Met dit betoog wordt de vordering immers gebaseerd op een gewijzigde overeenkomst, terwijl het beroep op verjaring is gebaseerd op de oorspronkelijke overeenkomst (die volgens [verweerster 4] c.s. nooit is gewijzigd). Van deze nadere afspraak tot wijziging van de overeenkomst draagt [eiseres] dan ook de stelplicht en bewijslast. Op grond van het navolgende kan niet al voorshands van het bestaan van deze nadere overeenkomst worden uitgegaan.
mee hebben ingestemddat de projectvennootschap niet ten behoeve van fase 1 - Delfzijl Zuid - zou worden opgericht, zal zij tot dat bewijs worden toegelaten. Uit proceseconomische overwegingen zal het hof die bewijsopdracht combineren met de hiervoor onder 4.1.5. genoemde bewijsopdracht.”
4.2 Het belang van de oprichting van de exploitatievennootschap
feitelijkook zonder de oprichting van deze vennootschap vorm had kunnen krijgen. De grieven falen.
dat in de: voorovereenkomst eigenlijk had moeten staan dat de exploitatievennootschap zo snel mogelijk na het verkrijgen van vergunningen zou worden opgericht en de aanvraag van subsidie te hand zal nemen“.
Dat staat daar omdat Edon en [verweerster 4] in 1999 de ervaring met de provincie hadden dat die instantie zeer snel en adequaat kon werken. Zij dachten toen nog dat het hele project in ongeveer 2 jaar tot stand kon komen. Wij gingen er dus van uit dat de exploitatiemaatschappij binnen die termijn zou worden opgericht.”
Ik heb al gezegd dat het oprichten van een exploitatievennootschap pas aan de orde komt nadat vergunningen zijn verleend. Het is echter ook juist dat in deze overeenkomst staat dat de op te richten vennootschap ook in andere opzichten uitvoering aan de samenwerking zou geven, onder meer ter zake van lay-out en de aanvraag van vergunningen. Ik heb er eigenlijk geen goede verklaring voor waarom deze vennootschap niet is opgericht. Niemand heeft er wakker van gelegen. Als mr. de Vries mij dan vraagt op basis van welke afspraken wij aan de slag zijn gegaan, dan vraag ik mij dat ook af. Het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst is inderdaad wel gebruikelijk Deze voorovereenkomst was de eerste stap en in die overeenkomst zijn 2 nadere stappen opgenomen: de oprichting van een samenwerkingsvennootschap tussen [verweerster 4] en Edon en vervolgens de oprichting van de exploitatievennootschap. Terugkijkend kijk ik er eerlijk gezegd ook van op dat niemand ooit bij dat laatste heeft stil gestaan. ”
2.6 Het beroep op erkenning
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1.1veronderstelt dat het hof in rov. 4.1.4 bedoeld heeft om
naeen inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen ten aanzien van de vraag of een dergelijk geval zich voordoet en (ii) als een dergelijke geval zich voordoet, voorshands kiezen voor de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg vooralsnog
zondereen inhoudelijke beoordeling van de (verdere) stellingen van partijen ten aanzien van de uitleg die in het concrete geval aan de overeenkomst moet worden gegeven.
dievraag.
alle(uit het partijdebat blijkende) omstandigheden van het geval.
naeen inhoudelijke beoordeling van de (verdere) stellingen van partijen ten aanzien van de uitleg die in het concrete geval aan de overeenkomst moet worden gegeven. [14] Ook dan zal de rechter dienen te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs of tegenbewijs te worden toegelaten.
onder 1.2.1faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof niet heeft miskend dat de wijze van uitvoering van de overeenkomst voor de uitleg relevant kan zijn. De motiveringklacht
onder 1.2.2miskent dat het hof blijkens rov. 4.1.2 en 4.1.4 de stellingen van [eiseres] wel heeft meegewogen, maar ze voorshands onaannemelijk heeft geacht in het licht van de in de overeenkomst opgenomen afspraak dat de exploitatievennootschap zo spoedig mogelijk na oprichting de ontwikkeling van het project ter hand diende te nemen, onder meer door het verkrijgen van de vergunningen die nodig waren om de windparken als bouwklaar te realiseren; de omstandigheid dat [eiseres] niet toelichtte op wiens schouders de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van dergelijke vergunningen dan wel zou komen te liggen; alsmede gegeven de omstandigheid dat [eiseres] stelling dat het in de windmolenbranche gebruikelijk zou zijn om met de oprichting van exploitatiemaatschappijen te wachten totdat de vereiste vergunningen zijn verkregen (hetgeen [verweerster 4] c.s. bestreed) onverenigbaar was met de bewoordingen van de overeenkomst. Deze aan de feitenrechter overgelaten waardering is niet onbegrijpelijk; de klacht verlangt in wezen een herbeoordeling van de feiten, die de cassatierechter niet kan geven.
productie 13een brief van [verweerster 4] ([getuige 2]) d.d. 5 november 1999 in het geding en daarbij de brief van 10 november 1999 van [eiseres] aan [verweerster 4]. Uit deze stukken blijkt dat [eiseres] [verweerster 4] actief ondersteunde bij de technische kant van de ontwikkeling van het project.
productie 8:
productie 1bij de dagvaarding in eerste aanleg heeft [eiseres] omcirkeld welke locatie van Delfzijl Zuid hoorde bij het samenwerkingsverband tussen EDON, [verweerster 4] en [eiseres] (dat is alleen het meest noordelijke puntje van Delfzijl Zuid ). Samenvattend: de drie partijen zouden projecten ontwikkelen in Delfzijl Noord, Midden en Zuid. Maar van het gebied “Zuid” zouden de partijen uitsluitend die locaties ontwikkelen, bouwen en exploiteren die eigendom waren van Groningen Seaports. De rest van Delfzijl Zuid behoorde in eigendom toe aan [verweerster 4]. De gemeente Delfzijl besloot tot fasering van de plannen en besloot dat Delfzijl Zuid (dus grotendeels gronden van [verweerster 4]) als eerste fase ontwikkeld mochten worden. De enige locatie van Zuid die tot de samenwerking behoorde, was het meest noordelijke puntje in het Zuidelijk gebied (zie de cirkel die [eiseres] op
productie 1bij de dagvaarding in eerste aanleg heeft aangegeven), de locatie Weiwerd, waarover hierna meer.
productie 9):
productie 5bij dagvaarding eerste aanleg). [eiseres] zal in het hierna volgende ook spreken van “Millenergy”. Millenergy ontwikkelde voor [verweerster 4] de locaties in Delfzijl Zuid (op de grond van [verweerster 4]). Zoals gezegd, had [eiseres] ten aanzien van de locaties die eigendom waren van [verweerster 4] geen rechten.”
volgens de voorovereenkomstde verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de vergunningen rustte als dat niet de exploitatievennootschap was. Het hof heeft kennelijk in de inleidende dagvaarding nr. 11 gelezen dat met de tem projectvennootschap wordt gedoeld op de exploitatievennootschap [16] (ter onderscheiding van de in de inleidende dagvaarding nr. 5 bedoelde EDON/[verweerster 4]-vennootschap) en daarin een bevestiging gezien van zijn voorshandse lezing van de voorovereenkomst. Dat aan die voorovereenkomst geen uitvoering is gegeven terwijl [verweerster 4]/Millenergy zich (ook zonder oprichting van de exploitatievennootschap) wel feitelijk ging inspannen voor de projectontwikkeling strookt met door [eiseres] geschetste ontwikkelingen na het sluiten van de voorovereenkomst. Delfzijl-Zuid viel immers voor het leeuwendeel niet onder het project van de voorovereenkomst. Onbegrijpelijk kan het oordeel van het hof daarom niet genoemd worden. [17]
Subonderdeel 2.1bouwt voort op subonderdelen 1.3 en 1.4 en deelt daarom hun lot; hetzelfde geldt voor
subonderdeel 2.2, dat voortbouwt op subonderdeel 1.2.
onder 2.3.1faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat uit het arrest niet kan worden afgeleid dat het hof van oordeel was dat de bedoelde omstandigheden – te weten: de feitelijke gang van zaken als bedoeld in rov. 2.2.5 en wat op dit gebied gebruikelijk zou zijn als bedoeld in rov. 2.2.8 [18] − niet in onderlinge samenhang kunnen worden beoordeeld. Dat blijkt ook uit rov. 2.2.9.
onder 2.3.2strandt op hetgeen hiervoor onder 3.6 en 3.10 is opgemerkt. Ook dit subonderdeel vraagt in wezen een herbeoordeling van de feiten die de cassatierechter niet kan geven. Het gegeven dat een andere waardering van de feiten denkbaar was geweest, maakt de waardering van het hof nog niet in cassatietechnische zin onbegrijpelijk.
Zij dachten toen nog dat het hele project in ongeveer 2 jaar tot stand kon komen. Wij gingen er dus van uit dat de exploitatiemaatschappij binnen die termijn zou worden opgericht.”) af dat het in de bedoeling lag om voortvarend te werk te gaan en zo spoedig mogelijk na 30 juli 1999 tot oprichting van de exploitatievennootschap over te gaan. Met de tussenzin “,in overeenstemming met de bewoordingen van de voorovereenkomst,” bedoelt het hof dat deze verklaring strookt met de lezing die het hof aan de bewoordingen van de voorovereenkomst heeft gegeven.