De Rechtbank Overijssel verklaarde het klaagschrift van klager tegen het beslag op zijn paspoort en twee iPhones ongegrond. Klager stelde dat het beslag opgeheven moest worden omdat de voorwerpen niet meer van belang waren voor de waarheidsvinding. De officier van justitie voerde aan dat met het paspoort strafbare feiten waren gepleegd en dat de iPhone 6 door een misdrijf was verkregen, zodat het beslag gerechtvaardigd was.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter later de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het paspoort en de telefoons zou bevelen, waardoor het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vorderde. De Hoge Raad vond dit oordeel begrijpelijk voor het paspoort en de iPhone 6, maar onvoldoende gemotiveerd voor de iPhone 4, omdat de officier van justitie hierover niets had aangevoerd.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking voor zover deze betrekking had op de iPhone 4 en liet de rest van de beschikking in stand. Er waren geen ambtshalve gronden voor verdere vernietiging. De zaak werd verwezen voor verdere behandeling zoals de Hoge Raad passend acht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij beslissingen over beslaglegging, vooral wanneer verschillende voorwerpen verschillend worden beoordeeld op hun strafvorderlijk belang.