Conclusie
1.Feiten
doorgeschovennaar de verkrijger. Op de voet van art. 4.38 Wet IB 2001 kunnen de gezamenlijke belanghebbenden evenwel ervoor kiezen om de AB-claim - in afwijking van de hoofdregel van art. 4.17 -
af te rekenen[cursivering Hof]
.
doorschuivenvan art. 4.17 Wet IB 2001 en hadden de gezamenlijke erven met afrekenen na 10 of 20 jaar een besparing aan inkomstenbelasting kunnen realiseren van € 110.000 respectievelijk € 240.000. Ervan uitgaande dat de keuze voor
afrekenenheeft geleid tot een besparing aan successierecht van € 25.379 per persoon, is de schade als gevolg van de keuze voor
afrekenenbegroot op circa € 85.000 per erfgenaam (te weten [verweerster 1] en [verweerder 2] ).
2.Procesverloop
€ 1.765.512,00) fiscaal zou kunnen worden afgewikkeld.
verkochten dat afrekenen daarom onvermijdelijk is, niettegenstaande de eveneens in die brief gememoreerde - nota bene door hem zelf verleden - akte van
verdelingvan aandelen van 29 april 2008.
3.Inleiding
4.Bespreking van de klachten
eerste onderdeel,dat in vier subklachten uitwaaiert, trekt ten strijde tegen rov. 4.8 van het arrest van 18 maart 2014. Het klaagt over ’s Hofs overweging dat “de klacht van [verweerder 2] en [verweerster 1] ” in hoger beroep is toegespitst op het verwijt dat zij ten onrechte niet zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om de AB-claim door te schuiven of dat hen ten onrechte is voorgehouden dat het noodzakelijk was om de AB-claim direct af te rekenen. Voor zover met deze overweging is bedoeld dat [verweerder 2] en [verweerster 1] hun “klacht” aangaande het tekortschieten van de notaris ten tijde van het biedingsproces hebben laten varen, zou zij in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk gemotiveerd zijn, aldus
onderdeel 1.1. De overweging zou bovendien laboreren aan innerlijke tegenstrijdigheid in het licht van rov. 4.6 (
onderdeel 1.2) en rov. 2.3 en 2.4 van het eindarrest van 18 november 2014 (
onderdeel 1.3).
Onderdeel 1.4bevat geen zelfstandige klacht.
toespitstop het verwijt dat zij ten onrechte niet zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om de AB-claim ten tijde van de aangifte IB door te schuiven. Daarmee brengt het Hof tweeërlei tot uitdrukking:
onderdeel 2.1berust ’s Hofs oordeel dat de notaris ten onrechte stelt dat in het kader van de bedoelde vermogensvergelijking de biedingen van [verweerder 2] en [betrokkene 1] moeten worden vergeleken, nu [verweerster 1] en [verweerder 2] niet stellen dat de uitkomst van het biedingsproces anders zou zijn geweest als de tekortkoming van de notaris wordt weggedacht, op een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van [verweerster 1] en [verweerder 2] . [verweerster 1] en [verweerder 2] stellen immers juist wel dat het biedingsproces een andere uitkomst zou hebben gehad als zij deugdelijk waren geïnformeerd, zoals blijkt uit nr. 106 van de inleidende dagvaarding.
onderdeel 2.2gewraakte zinnetje kan niet tot een andere uitkomst leiden. Ook als juist zou zijn dat [verweerder 2] en [verweerster 1] die stelling niet hebben betrokken, kan dat de notaris niet baten nu het Hof die stelling verwerpt. Daarom kan blijven rusten of [verweerder 2] en [verweerster 1] die stelling inderdaad hebben betrokken dan wel of het Hof hun stellingen zo heeft kunnen lezen.
geheelanders. Maar ik begeef me liever niet in discussies daarover.
onderdeel 2.3).
Onderdeel 3.1bouwt slechts voort op onderdeel 2, zodat het geen afzonderlijke bespreking behoeft.
vierde onderdeelkomt op tegen rov. 2.5 van het arrest van 18 november 2014.
Onderdeel 4.1bevat geen zelfstandige klacht.
onderdeel 4.2berust op de onjuiste veronderstelling dat de (vastgestelde) tekortkoming van de notaris er uit bestaat dat hij [verweerster 1] en [verweerder 2] ten tijde van het biedingsproces onjuist heeft voorgelicht. Het behoeft in zoverre geen bespreking.
mogelijkwél te lezen in rov. 2.4, maar daartegen wordt niet opgekomen.