ECLI:NL:PHR:2015:2687

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
19 februari 2016
Zaaknummer
15/05358
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en ernstig verwijtbaar handelen

De rechtbank Limburg beëindigde op 6 oktober 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c en Pro d van de Faillissementswet omdat verzoekers hun verplichtingen niet waren nagekomen. De rechtbank stelde dat verzoekers van rechtswege in staat van faillissement zouden verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis op 12 november 2015. Het hof stelde vast dat verzoekers herhaaldelijk tekort waren geschoten in hun verplichtingen door niet te voldoen aan termijnen voor boedelachterstand, die opliep tot € 2.816,83. Ondanks waarschuwingen en huisbezoeken bleef de achterstand bestaan. Tevens werd vastgesteld dat verzoekers de afrekening van energielasten gebruikten voor een vakantie naar Spanje en geldopname zonder de bewindvoerder te informeren.

Het hof achtte dit handelen ernstig verwijtbaar gezien de hoge schuldenlast en concludeerde dat verzoekers niet saneringsgezind waren. Daarom werd de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder verlenging van de termijn.

Verzoekers kwamen tijdig in cassatie met het middel dat beëindiging buitenproportioneel was omdat zij spijt hadden en maatregelen hadden genomen. De Procureur-Generaal concludeerde echter dat van schuldsaneringsgerechtigden mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspannen en geen bovenmatige schulden veroorzaken. Het hof had terecht geoordeeld dat verzoekers ernstig verwijtbaar hadden gehandeld en hun spijtbetuiging onvoldoende was om beëindiging te voorkomen. Het cassatiemiddel werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming en ernstig verwijtbaar handelen.

Conclusie

15/05358
Mr. L. Timmerman
Zitting 18 december 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker 1]
[verzoekster 2]
verzoekers tot cassatie,
(hierna: ‘[verzoeker] c.s.’),
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. De rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 6 oktober 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c en Pro d van de Faillissementswet (Fw) beëindigd omdat [verzoeker] c.s. hun verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft verder overwogen dat, aangezien er voldoende baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, [verzoeker] c.s. van rechtswege in staat van faillissement zullen verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in zijn arrest van 12 november 2015. Het hof heeft daartoe overwogen dat [verzoeker] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling door de termijnen ter zake van de boedelachterstand bij herhaling niet te voldoen waardoor een achterstand in de betalingen is ontstaan van € 2.816,83. Het hof heeft vastgesteld dat [verzoeker] c.s. bij herhaling op hun tekortkoming zijn gewezen. De bewindvoerder heeft zes brieven aan [verzoeker] c.s. gezonden en twee huisbezoeken afgelegd. Voorts heeft de rechter-commissaris [verzoeker] c.s. een waarschuwingsbrief gezonden. Het hof overweegt verder dat [verzoeker] c.s. medio augustus 2015 de afrekening van de energielasten hebben aangewend voor een vakantie naar Spanje van € 600,- een geldopname van € 400,- aldaar, zonder de bewindvoerder hiervan in kennis te stellen. Het hof acht het handelen van [verzoeker] c.s., mede gezien de hoogte van de schuldenlast bij toelating tot de schuldsaneringsregeling € 269.912,13 en de boedelachterstand per 1 juli 2015 van € 2.816,83, ernstig verwijtbaar en is van oordeel dat [verzoeker] c.s. niet over een saneringsgezinde houding beschikken. Het hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden en ziet in de handelwijze van [verzoeker] c.s. geen aanleiding voor verlenging van de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3. [verzoeker] c.s. zijn van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. Het cassatiemiddel komt er kort gezegd op neer dat het beëindigen van de schuldsaneringsregeling, gelet op het feit dat zij spijt hebben van hun handelen en maatregelen hebben genomen om hun tekortkomingen te herstellen, buitenproportioneel is, zowel jegens [verzoeker] c.s. als jegens hun crediteuren. Laatstgenoemden zullen door een faillissement immers in een slechtere positie komen te verkeren.
4. Het middel heeft m.i. geen kans van slagen. Van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (artikel 350 lid 3 onder Pro c Fw) en dat zij geen bovenmatige schulden doen of laten ontstaan (artikel 350 lid 3 sub d Fw Pro). Het hof heeft uitvoerig overwogen waarom zij van oordeel is dat [verzoeker] c.s. niet aan deze verplichting hebben voldaan door de boedelachterstand ondanks de diverse waarschuwingen tot een bedrag van € 2.816,83 te laten oplopen en door de teruggave van de energierekening zonder overleg aan te wenden voor een vakantie. [verzoeker] c.s. hebben ter zitting bij het hof aangevoerd dat zij spijt hebben van hun handelen en dat zij een bereid zijn hun tekortkomingen te herstellen. Het hof heeft echter overwogen het handelen van [verzoeker] c.s. ernstig verwijtbaar te achten. De spijtbetuiging en de beloofde beterschap heeft het hof klaarblijkelijk onvoldoende geacht om het verzoek om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen af te wijzen dan wel de termijn ervan te verlengen. Het oordeel van het hof getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
5. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G