Conclusie
‘Vandaag demonstreren we tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’. Tijdens deze demonstratie is bovenbeschreven uitlating
‘Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’gedaan door verdachte en andere deelnemers. Het hof vermag niet in te zien op welke wijze het doen van bovenbeschreven uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of onder de bescherming van artistieke expressie zou vallen.
cassatiemiddelin de onderhavige zaak keert zich tegen het oordeel van het Hof, dat de verdachte als medepleger moet worden aangemerkt van een uitlating die door medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] is gedaan. Het middel klaagt – onder 3 – dat het Hof op onjuiste gronden althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd tot dit oordeel is gekomen en wel, omdat tussen de verdachte en zijn medeverdachten geen sprake kan zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking in de zin die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 2 december 2014 (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis) aan dat begrip geeft. Immers, zo betoogt het middel, het enkele feit dat de verdachte zich tijdens de demonstratie niet heeft gedistantieerd van de bewezenverklaarde uitlating is van onvoldoende gewicht om te concluderen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de tenlastegelegde delicten heeft geleverd. Het middel verwijst bij deze klacht naar HR 22 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BK3356) waar wordt overwogen ‘dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor niet voldoende zijn’.