Conclusie
.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor diefstal met geweld gepleegd door twee of meer verenigde personen. De feiten betreffen een straatroof op 25 november 2012 te Amsterdam waarbij twee zussen werden beroofd door een groep van zes daders, bestaande uit drie jongens en drie meisjes. De verdachte werd veroordeeld tot 223 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kon worden afgeleid, omdat verdachte geen uitvoeringshandeling had verricht. De Hoge Raad overwoog dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist waarbij de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Dit kan blijken uit gezamenlijke uitvoering, vooraf gemaakte afspraken, rolverdeling en gedragingen voor, tijdens of na het delict.
In deze zaak was vastgesteld dat verdachte zich bewust en nauw had verbonden met de groep die de diefstal pleegde, onder meer door mee te rennen, zich niet te distantiëren en het in bezit hebben van buitgemaakte goederen. Het hof had het verweer van verdachte terecht verworpen en het medeplegen bewezen verklaard. De Hoge Raad bevestigde dat het bijzondere delictsbestanddeel "door twee of meer verenigde personen plegen" niet volledig gelijk is aan medeplegen, maar dat het hof het juiste juridische kader had gehanteerd.
De Hoge Raad wees ook op de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en gaf aan dat de opgelegde straf dienovereenkomstig verminderd kan worden. Het beroep in cassatie werd afgewezen, behoudens de strafvermindering. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot vernietiging van het vonnis uitsluitend voor de strafmaat en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte medepleger was bij de diefstal met geweld, en het cassatieberoep is afgewezen behoudens strafvermindering wegens termijnoverschrijding.