Conclusie
“Headdirector of the IND”om teruggave van de onder 1.1 bedoelde documenten (hierna: de documenten) verzocht. In deze brief is onder meer opgenomen:
“Headdirector of the IND”zond. [eiser] heeft vervolgens niet binnen vijf jaar na aanvang van de verjaringstermijn de Staat aansprakelijk gesteld. Dit gebeurde namelijk pas bij brief van 30 december 2011, aldus de kantonrechter (rov. 5.3 en 5.4). Met de brief van 9 mei 2011, gericht aan de politie Gelderland-Midden, is de verjaring volgens de kantonrechter niet gestuit, aangezien de politieregio Gelderland-Midden een zelfstandige openbare rechtspersoon is (rov. 5.5).
“naar redelijke maatstaven en goede justitia”vast te stellen. Op 16 juli 2013 heeft de Staat het verstek gezuiverd, waarna hij de grieven bij memorie van antwoord heeft bestreden.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“Headdirector of the IND”. Volgens het middel (onder 10, p. 5, laatste alinea) heeft het hof ten onrechte nagelaten - al dan niet ambtshalve - te onderzoeken of de onderhavige vordering wel rechtstreeks uit de brief van 28 september 2006 voortvloeit. Het middel betoogt dat [eiser] pas met zijn schade bekend is geworden op het moment dat de IND zijn klacht bij brief van 24 mei 2011 gegrond verklaarde. Pas toen stond volgens het middel vast dat de documenten in het ongerede waren geraakt en
“dat [eiser] schade heeft geleden in die zin dat hij in elk geval voor een nieuw rijbewijs zal moeten zorgen”; pas toen kon [eiser], nog steeds volgens het middel, een vordering tot schadevergoeding indienen.
onbestredenheeft overwogen dat de verjaringstermijn op 29 september 2006 een aanvang heeft genomen. [eiser] heeft in cassatie niet over die vaststelling geklaagd onder verwijzing naar eerder door hem betrokken stellingen waaruit zou volgen dat die vaststelling onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Reeds daarop stuit de klacht van het middel af. Overigens blijkt uit het procesdossier niet dat [eiser], anders dan het hof heeft aangenomen, het oordeel van de kantonrechter dat de verjaringstermijn op 29 september 2006 is aangevangen, in hoger beroep heeft bestreden.
“dat (hij) schade heeft geleden in die zin dat hij in elk geval voor een nieuwe rijbewijs zal moeten zorgen”. Vanaf dat moment moet [eiser] voorts worden geacht in staat te zijn geweest een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen [3] . Dat de brief van 28 september 2006 blijkens de cassatiedagvaarding wellicht slechts was bedoeld als opmaat tot een (bestuurlijke) klachtenprocedure en niet tot de onderhavige civiele procedure [4] , doet aan het voorgaande niet af. Bepalend voor het ingaan van de in deze zaak geldende verjaringstermijn is blijkens art 3:310 lid 1 BW Pro immers het moment waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en niet het moment waarop de benadeelde tot het daadwerkelijk instellen van een civiele procedure besluit.
“onbegrijpelijk zonder nadere toelichting zijdens het Gerechtshof”. Ook de in de dagvaarding opgenomen toelichting onder c sluit met de opmerking dat
“het Gerechtshof zijn mening onvoldoende (heeft) omkleed, zodat het arrest ter zake behoort te worden vernietigd.”Aan dit een en ander doet niet af dat de standaardformulering waarmee het middel wordt ingeleid (
“Schending van het recht of verzuim van vormen (…)”) en het boven de bestreden passage geplaatste tussenkopje
“Ten onrechte heeft het Gerechtshof (…)”, welk tussenkopje in de cassatiedagvaarding standaard boven ieder citaat van de bestreden rechtsoverwegingen is geplaatst, op zichzelf ook op een rechtsklacht zouden kunnen wijzen.
nakomingheeft gevraagd (aan het slot van de toelichting onder a wordt gesproken van
“de vordering tot levering van zijn documenten”) en dat bij die stand van zaken niet valt in te zien waarom
“aan de stuiting tevens moet zijn verbonden een alternatief tot nakoming, te weten schadeloosstelling”(in de toelichting onder c wordt in dit verband gesproken van
“de veronderstelling van het Gerechtshof dat voor stuiting een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend”). Daarbij lijkt de toelichting onder c te betogen dat, zolang niet vaststond dat de documenten niet konden worden teruggegeven, er ook geen aanleiding was schadeloosstelling te verlangen (
“Tot de gegrondverklaring van de klacht was er geen sprake van geld of geldswaarden, zodat de veronderstelling van het Gerechtshof dat voor stuiting een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend op geen enkele wijze uit het verloop van de procedure tot dan kan worden afgeleid.”).
“vordering tot levering”aan de orde, maar een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Dat is ook het uitgangspunt van de cassatiedagvaarding onder 4 (
“In casu is naar burgerlijk recht gezien sprake van een vordering uit onrechtmatige daad (…).”), waar [eiser] bovendien de mogelijkheid verwerpt dat hier van een vordering tot teruggave op grond van een bewaarnemingsovereenkomst (art. 7:600 BW Pro) sprake zou zijn (
“Een overeenkomst tot de waarneming(lees: bewaarneming; LK)
zou afstuiten op het feit, dat geheel geen overeenkomst wordt gesloten en de bewaarneming afgedwongen wordt.”). Het middel betoogt niet dat de bedoelde brieven waarin om teruggave van de documenten is gevraagd, als een verzoek tot nakoming (laat staan als een schriftelijke aanmaning tot nakoming) van
de verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daadmoeten worden opgevat [7] ; veeleer bevestigt het middel, dat de bedoelde brieven een dergelijk verzoek
nietbevatten.
“een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend”, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft, kennelijk gelet op het wettelijk vereiste van
“een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt”(het door art. 3:317 BW Pro geboden alternatief voor de schriftelijke aanmaning), niet meer verlangd dan dat [eiser] in de betrokken brieven duidelijk zou hebben gemaakt dat hij bij niet-teruggave op schadevergoeding aanspraak zou maken. Het middel betoogt niet dat en waarom het hof niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat [eiser] in de betrokken brieven onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij bij niet-teruggave op schadevergoeding aanspraak zou maken, of dat en waarom het hof de bedoelde brieven althans als
“een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming(van de verbintenis tot schadevergoeding; LK)
voorbehoudt”had moeten opvatten.
onbestredenheeft overwogen dat de verjaring van de vordering van [eiser] jegens de Staat door de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden niet is gestuit, omdat de politieregio Gelderland-Midden een zelfstandig openbaar rechtspersoon is. [eiser] betoogt dat deze vaststelling van de kantonrechter wel degelijk door hem is weersproken. Hij wijst in dit verband op de memorie van grieven waarin zou zijn aangegeven dat [eiser] het niet eens is met de conclusie van de kantonrechter in rov. 5.5 van het vonnis van 10 januari 2013 dat hij van oordeel is dat het beroep op verjaring ten onrechte is gedaan, welke oordeel, aldus [eiser], niet uitdrukkelijk verder wordt gespecificeerd.
“is er nu sprake geweest van verjaring?”, op welke stelling de klacht in het middel lijkt te doelen [10] , dwong niet tot het oordeel dat ook de betekenis van de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep uitmaakte.
“Calimero-verweer”inderdaad correct weerlegd, echter op onjuiste gronden.
“wellicht beoogd was hier een verweer te voeren”dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, geldt dat de uitleg van stellingen van partijen van feitelijke aard is en derhalve aan de feitenrechter is voorbehouden [14] .
“wellicht beoogd”) beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft ontwaard, is overigens niet onbegrijpelijk. [eiser] heeft zijn stelling immers steeds geplaatst in de sleutel van de art. 21 en Pro 22 Rv [15] . Ook de Staat heeft de stelling van [eiser] - mijns inziens terecht - in die zin begrepen [16] .