Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
onderdeel 1.2is ‘s Hofs oordeel in elk geval onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft in rov. 5 en 6 geen enkele inhoudelijke motivering gegeven waarom [eisers] onvoldoende hebben gesteld om causaal verband tussen de vaststaande “hoor en wederhoorschending” en de door [eisers] gestelde reputatie- en vermogensschade aan te nemen; 's Hofs motivering schiet wezenlijk te kort. Daarbij dient tot uitgangspunt dat, zoals de tuchtrechters hebben uitgesproken, [verweerders] de voor forensische accountants rustende verplichting tot wederhoor jegens [eiser 1] op ernstige wijze hebben geschonden. Gelet op de aard en de ernst van deze normschending en de bezwaarlijkheid om achteraf vast te stellen wat er mét toepassing van wederhoor zou zijn gebeurd, dienen aan de stelplicht ter zake van de mogelijkheid van het causaal verband in een geval als dit geen hoge eisen te worden gesteld. [eisers] hebben, met verwijzing naar het uitvoerige contra-rapport van SVB en met vermelding van concrete passages in het [verweerders]-rapport, gesteld dat dit rapport een groot aantal feitelijke onjuistheden of door de tuchtrechter gewraakte waardeoordelen ("fraude") bevat. Zij hebben gesteld dat, als wederhoor was toegepast, het [verweerders]-rapport niet een zo groot aantal feitelijke onjuistheden en waardeoordelen zou hebben bevat. Hun betoog luidt dat wederhoor dus zou hebben geleid tot een ander rapport en dat dit rapport niet of niet op dezelfde mate en/of op dezelfde wijze zou zijn verspreid onder potentiële opdrachtgevers van [eisers] en dat, na wederhoor over de betrokkenheid van [eiser 1] bij de (na wederhoor resterende) feitelijke punten, de curator en/of de Rabobank wel degelijk zouden hebben kunnen besluiten om [eiser 1] niet in de procedure tegen de bestuurders van VSBITB te betrekken als feitelijke beleidsbepaler krachtens art. 2:248 lid 7 BW Pro. Tegen deze achtergrond kon het Hof niet volstaan met zijn volledig algemene en daardoor ontoereikend gemotiveerde oordeel dat, zakelijk weergegeven, [eisers], gelet op het verweer van [verweerders], op dit punt te weinig hebben gesteld.
onderdeel 1.1aanvoert, hoort een oordeel omtrent de onder 3.3 sub a bedoelde problematiek m.i. niet thuis in de schadestaatprocedure. [2] Het gaat daarbij immers niet om de vraag naar de schade noch ook om het condicio sine qua non-verband tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis (de onrechtmatigheid was in prima reeds onherroepelijk vastgesteld) en de veronderstellenderwijs aangenomen reputatieschade. Het gaat, integendeel, om een belangrijke voorvraag: zou het rapport, bij inachtneming van wederhoor, in voldoende relevante mate anders hebben geluid. [3] Bij ontkennende beantwoording van die voorvraag komt de onder 3.3 sub b bedoelde kwestie niet meer in beeld. De klacht strandt hierop.
onderdeel 2.1is 's Hofs oordeel in rov. 8 rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Het Hof zou hebben miskend dat “[eiser 1]” de kosten van contra-expertise en de kosten van verweer (voor zover niet gedekt door het liquidatietarief) in de procedures tegen de curator en de Rabobank uitsluitend zou hebben kunnen vorderen op de grondslag van een onrechtmatige daad of wanprestatie van de curator en de Rabobank. De curator en de Rabobank zouden, door gebruik te maken van het [verweerders]-rapport, onrechtmatig hebben moeten handelen jegens “[eiser 1]” als hun processuele wederpartij. De drempel voor een dergelijke onrechtmatige daad ligt zeer hoog. Het Hof zou dit hebben miskend door enerzijds te oordelen dat “[eisers]” vergoeding van deze kosten hadden kunnen vorderen in de procedures tegen de curator en de Rabobank en anderzijds te vergen dat “[eisers]” nader hadden moeten toelichten waarom hun reconventionele vordering tot vergoeding van de kosten van contra-expertise en ongedekte verweerkosten in de bedoelde procedures is afgewezen.
onderdeel 2.2,te meer/althans, omdat “zijdens” [verweerders] “hierover” uitsluitend was gesteld dat, kort gezegd, de functionaliteit van de contra-expertise niet blijkt uit de vonnissen in de procedures tegen de curator en de Rabobank en dat, wanneer dit wel zo zou zijn, “[eiser 1] de gemaakte kosten in die procedure had moeten vorderen.” Enerzijds heeft het Hof daarmee de grondslag van het verweer van [verweerders] in strijd met art. 24 Rv Pro verlaten, omdat deze stelling - niet kenbaar voor “[eiser 1]” - inhield dat onduidelijk is gebleven waarom “[eiser 1]” in die procedures geen vergoeding van deze kosten heeft verkregen. Anderzijds was die duidelijkheid er evident wel, omdat lezing van het als productie 3 bij inleidende dagvaarding overgelegde vonnis van 10 september 2008 van de Bossche Rechtbank (rov. 14.6) leert dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de curator geen onrechtmatig handelen valt te verwijten door het [verweerders]-rapport te gebruiken. Bovendien is, ook los van het voorgaande, onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat, nu “[eiser 1]” geen vergoeding kreeg van de kosten van contra-expertise in de procedures tegen de curator en de Rabobank, onvoldoende is gesteld waarom de kosten van contra-expertise geen gevolg zouden zijn van de door [verweerders] gepleegde onrechtmatige daad. In elk geval is 's Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd tegenover de door “[eisers]” aangevoerde stellingen dat en waarom de kosten van contra-expertise (geheel of gedeeltelijk) hadden kunnen worden bespaard indien [verweerders] wel wederhoor bij “[eiser 1]” hadden toegepast. Ook hier geldt bovendien dat, gelet op de aard en ernst van deze normschending en de bezwaarlijkheid om achteraf vast te stellen wat er mét toepassing van wederhoor zou zijn gebeurd, aan de stelplicht ter zake van het causaal verband in een geval als dit geen hoge eisen mogen worden gesteld.
kunnenverhalen, [7] laat dat onverlet dat ze deze kosten – als aan de overige voorwaarden voor verhaal is voldaan – waarover zo dadelijk meer – (ook) op [verweerders] kunnen verhalen, al is een dergelijke klacht slechts met de nodige moeite in het onderdeel te lezen.
zijngemaakt en dat dit in de visie van [eisers] het rechtstreeks gevolg is van het toepassen van wederhoor. Dit oordeel wordt niet bestreden. Maar omdat het ’s Hofs oordeel niet kan dragen, breekt dat [eisers] niet op voor zover overigens een wel deugdelijke klacht tegen ’s Hofs oordeel wordt geformuleerd.