ECLI:NL:PHR:2015:36

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2015
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
13/03091
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op noodweerexces bij betreden woning en mishandeling

Verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens mishandeling nadat hij iemand had gebeten tijdens een conflict in een woning. Verdachte betrad de woning opnieuw nadat hij was verwijderd, wat het hof kwalificeerde als het zoeken van confrontatie. Hoewel verdachte stelde dat hij de woning betrad om zijn spullen op te halen en toestemming had van de hoofdbewoner, oordeelde het hof dat deze toestemming niet opwoog tegen het recht van de bewoner om hem te verwijderen.

De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan omdat verdachte hardhandig werd verwijderd en tegen de grond gedrukt, maar het hof vond dat de verwijdering niet disproportioneel was en dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een noodweersituatie rechtvaardigde.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Raad benadrukt dat het hof de juistheid van de verklaring van verdachte omtrent het betreden van de woning in het midden heeft gelaten, maar dat dit niet leidt tot onbegrijpelijkheid van het oordeel dat het recht van de bewoner prevaleert. Het beroep op noodweerexces faalt omdat geen noodweersituatie is vastgesteld.

Uitkomst: Hoge Raad wijst cassatieberoep af en bevestigt veroordeling wegens mishandeling zonder toepassing van noodweerexces.

Conclusie

Nr. 13/03091
Zitting: 6 januari 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 17 juni 2013 verdachte wegens 2. “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een inbeslaggenomen dolk met foedraal.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te ‘s-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
4.
Het middel
4.1. Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van een door de verdediging gevoerd noodweer(exces)verweer.
4.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 oktober 2010 te Delft opzettelijk [betrokkene 1] in de linkeronder arm heeft gebeten, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
4.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2013 heeft de raadsman van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
“Met betrekking tot het onder 3 [1] ten laste gelegde merk ik op dat mijn cliënt uit noodweer handelde. Hij werd tegen de vloer gedrukt en werd zodoende, tegen zijn wil, in een conflictsituatie gebracht. Hij mocht zich daartegen verdedigen. Voor zover hij de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, verzoek ik uw hof mijn cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces.”
4.4. Het Hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft in dat verband - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte ongewild in een conflictsituatie was beland waarbij hij tegen de grond werd gedrukt en het slachtoffer slechts gebeten heeft opdat hij niet langer in bedwang zou worden gehouden. Voor zover de verdachte daarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is de verdediging van mening dat er sprake was van noodweerexces.
Het hof overweegt hieromtrent dat de verdachte enkele uren voor het ten laste gelegde, kennelijk na zich misdragen te hebben, hardhandig uit de woning was verwijderd door aangever [betrokkene 2], die zelf destijds in de gemeentelijke basisadministratie op dat adres stond ingeschreven. Daarbij was de verdachte op niet mis te verstane wijze kenbaar gemaakt dat hij niet meer welkom was. De verdachte heeft desalniettemin en ondanks negatief advies van de politie alsnog op bepaald irreguliere wijze de woning wederom betreden. De verdachte heeft aldus de confrontatie met aangever [betrokkene 2] gezocht en voornoemde [betrokkene 2] heeft hem als rechtmatige bewoner van die woning wederom verwijderd. Het hof is van oordeel dat zulks weliswaar kennelijk hardhandig is gebeurd, maar overweegt dat geenszins aannemelijk is geworden dat deze verwijdering op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat daardoor op enigerlei tijdstip een situatie is ontstaan waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slaagt. De verweren worden mitsdien verworpen.”
4.5. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2012 verklaard dat hij, toen hij voor de tweede keer de woning van zijn tante betrad, dit alleen deed om zijn spullen (waaronder zijn huissleutels) te halen en meteen werd aangevallen door de aldaar aanwezige jongens (zie ook bewijsmiddel 3). Voorts heeft verdachte op die terechtzitting verklaard dat hij geen toestemming nodig had om de woning van zijn tante – die hoofdbewoner zou zijn – te betreden, omdat zij hem had gevraagd om op haar huis en op haar veertienjarige pleegzoon te passen.
4.6. Het Hof heeft, hoewel het er naar zijn oordeel voor moest worden gehouden dat de verdachte niet, zoals hij verklaarde, door de achterdeur maar via het slaapkamerraam de woning heeft betreden, verdachte vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde wederrechtelijk binnendringen van de woning van zijn tante. Het Hof heeft te dien aanzien overwogen dat verdachte heeft aangevoerd dat zijn tante aan hem toestemming had gegeven om in haar huis te verblijven, dat de verklaring van verdachte niet kan worden geverifieerd en dat het Hof derhalve niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat verdachte de woning ook daadwerkelijk “wederrechtelijk” is binnengedrongen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat, nu het Hof uitdrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat verdachte gerechtigd was het pand te betreden, onbegrijpelijk is dat hem een beroep op noodweer(exces) is ontzegd.
4.7. Het Hof heeft geoordeeld dat geenszins aannemelijk is geworden dat de verwijdering van de verdachte uit de woning op zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat zich – kort gezegd – een noodweersituatie voordeed. De vraag is of dat oordeel niet langs de kern van het gevoerde verweer heengaat. Dat de wijze van verwijdering niet excessief was, wil nog niet zeggen dat die verwijdering zelf geen wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf vormde. De verdachte werd tenslotte hardhandig tegen de grond gedrukt. Het oordeel van het Hof moet kennelijk aldus begrepen worden dat die aanranding niet wederrechtelijk was, zodat verdediging daartegen geen noodweer oplevert. Maar hoe kan, als de verdachte niet wederrechtelijk in de woning vertoefde, diens hardhandige verwijdering uit die woning – die enkel plaatsvond omdat de verdachte zich in de woning ophield – rechtmatig zijn?
4.8. Of het aan de vrijspraak ten grondslag gelegde oordeel van het Hof dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte de woning ‘wederrechtelijk’ is binnengedrongen in strijd is met diens kennelijke oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verwijdering van de verdachte uit de woning een wederrechtelijke aanranding opleverde, kan in het midden blijven, nu de verdachte volgens de rechtspraak van de Hoge Raad op die tegenstrijdigheid geen beroep kan doen. [2] Bij de beoordeling van het middel moet de motivering van de vrijspraak dus buiten beschouwing worden gelaten. Wat overblijft, is dat aangevoerd is dat de verdachte toestemming had van de hoofdbewoner om de woning te betreden teneinde op het huis en de pleegzoon te passen. Nu het Hof de juistheid daarvan in het midden heeft gelaten, moet in cassatie van die juistheid worden uitgegaan. Dat maakt het oordeel van het Hof echter niet onbegrijpelijk. De verdachte voerde aan dat hij de woning betrad om zijn spullen op te halen en dus niet om op de woning of op de pleegzoon te passen (hetgeen ook niet nodig was omdat [betrokkene 2], de zoon van zijn tante, thuis was). In de vaststellingen van het Hof ligt voorts besloten dat de verdachte de woning tegen de verklaarde wil van [betrokkene 2] – die het pand samen met zijn moeder bewoonde (bewijsmiddel 2) – en ook nog eens op irreguliere wijze betrad. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de betreding van de woning onder die omstandigheden niet door de gegeven toestemming werd gedekt en dat het op die toestemming gebaseerde recht van de verdachte in elk geval moest wijken voor het sterkere recht van [betrokkene 2] als bewoner van het pand, zodat [betrokkene 2] het recht had de verdachte de toegang tot zijn woning te ontzeggen, komt mij juist voor.
4.9. Het oordeel van het Hof dat, nu bij de verwijdering geen disproportioneel geweld is gebruikt, geen sprake was van een noodweersituatie, is dan ook niet onbegrijpelijk.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Bedoeld is kennelijk:2.
2.Zie o.m. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer.