ECLI:NL:PHR:2015:372

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
14/00203
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 9a SrArt. 6 EVRMArt. 315 SvArt. 328 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verzuim beslissing op voorwaardelijk verzoek getuige-deskundige

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zonder straf of maatregel op te leggen. Namens verdachte werd beroep in cassatie ingesteld met het middel dat het hof ten onrechte geen beslissing nam op een voorwaardelijk verzoek om een getuige-deskundige te horen of nader onderzoek te doen.

De raadsman van verdachte had tijdens de terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om psychologe drs. I.D. Kalinitsch als getuige-deskundige te horen, of een onafhankelijke deskundige aan te wijzen voor onderzoek van verdachte. Dit verzoek was afhankelijk gesteld van het scenario dat het hof neigde tot veroordeling of meer onderbouwing verlangde.

Het hof heeft verdachte veroordeeld, waardoor het verzoek in feite ontvankelijk werd, maar heeft geen uitdrukkelijke beslissing genomen op het verzoek. Dit verzuim leidt volgens de Hoge Raad tot nietigheid van het arrest. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling en beslissing op het bestaande beroep, inclusief het voorwaardelijke verzoek.

Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, hetgeen bij een eventuele verwijzing in de vervolgprocedure moet worden betrokken. De overige middelen worden niet besproken omdat de vernietiging op het procedurele verzuim is gebaseerd.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een uitdrukkelijke beslissing op het voorwaardelijke verzoek en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 14/00203
Zitting: 10 maart 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 september 2012 de verdachte veroordeeld ter zake van “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. L. Bien, advocaat te Maastricht, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelklaagt over de verwerping van het verweer dat sprake was van een ziekelijke stoornis dan wel een overmachtssituatie en voorts dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen omtrent het door de raadsman van de verdachte gedane (voorwaardelijke) verzoek om een getuige-deskundige op te roepen dan wel nader onderzoek te doen.
4. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2012 heeft de raadsman van verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Mocht u op grond van het dossier en het vandaag verhandelde ter terechtzitting neigen naar een veroordeling van cliënte dan wel meer onderbouwing verlangen van het door de verdediging in te nemen standpunt, doe ik u bij dezen het (voorwaardelijk) verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden en psychologe drs. I.D. Kalinitsch op te roepen ten einde te worden gehoord als getuige-deskundige dan wel een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om cliënte te laten onderzoeken.”
5. Dit op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman om drs. Kalinitsch als getuige-deskundige te horen dan wel een onafhankelijk deskundige aan te wijzen om verdachte te laten onderzoeken, is een verzoek als bedoeld in art. 315 in Pro verbinding met art. 328 Sv Pro. Nu de voorwaarde waarvan het verzoek afhankelijk is gemaakt is vervuld – het Hof heeft immers verdachte veroordeeld – was een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 in Pro verbinding met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg. Het middel klaagt daarover terecht. [1]
6. In aanmerking genomen dat deze klacht slaagt, laat ik bespreking van het middel voor het overige buiten bespreking. Ingeval de Hoge Raad dit anders ziet, houd ik mij gereed op deze punten een aanvullende conclusie te nemen.
7. Het middel is terecht voorgesteld.
8. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens verdachte is op 21 september 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn van acht maanden is derhalve in ruime mate overschreden. Alleen al daardoor staat vast dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad zou besluiten tot vernietiging van het bestreden arrest zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen of teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. o.a. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7960, HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR2011:BQ5720, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:BN4133 en HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0505.