Conclusie
middelklaagt dat het Hof bij de oplegging van de GBM art. 77w, tweede lid, Sr heeft geschonden, nu het advies van de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt “ondersteund” door het advies van een gedragsdeskundige.
dusin het onderhavige geval een het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunend oordeel van een gedragsdeskundige ontbreekt. Een blik door de ramen van de papieren muur [3] laat namelijk zien dat bij de totstandkoming van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming tenminste twee gedragsdeskundigen betrokken zijn geweest. Ik noem als eerste drs. M.S. Vreeburg, toen GZ-psycholoog i.o. Zij heeft het eerdere advies, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming ook na het uitbrengen van het rapport van de gedragsdeskundige Schipper blijft, ondertekend. Voor zover de aanduiding i.o. hier niet voldoende gewicht in de schaal zou leggen, merk ik op dat dit advies mede is ondertekend door de GZ-psycholoog drs. J. Hessels onder wier verantwoordelijkheid Vreeburg haar werk in deze zaak heeft gedaan. Daarbij merk ik op dat het rapport-Schipper is opgemaakt nadat de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg was afgesloten en dat (niettemin) ook de Rechtbank de GBM had opgelegd, daarbij expliciet verwijzend naar de adviesrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming en de hoedanigheid van de opstellers daarvan (vonnis van 2 april 2013, p. 15). [4]
advies. De rechter heeft een eigen verantwoordelijkheid en is dan ook niet aan zo een advies gebonden. [10] Het is om die reden dat de wetgever zich in dat opzicht van neutrale bewoordingen heeft bediend en wel aldus dat de rechter de maatregel slechts oplegt
nadathij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de Raad voor de Kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste één gedragsdeskundige. Met deze formulering heeft de wetgever kennelijk willen aanknopen bij die van art. 77s, tweede lid, Sr [11] : de rechter kan de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) opleggen indien hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, van wie er één psychiater is. Deze eis is aangaande de gedragsdeskundigheid van het advies zwaarder dan hetgeen art. 77w, tweede lid, Sr verlangt [12] , hetgeen zijn verklaring hierin vindt dat de PIJ-maatregel de zwaarste sanctie uit het sanctiearsenaal voor jeugdigen is. Art. 77s, tweede lid, Sr noch enige andere rechtsregel vereist echter dat de betrokkene eerst in een inrichting voor jeugdigen kan worden geplaatst indien het advies daartoe strekt. De rechter kan ook tot een dergelijke plaatsing overgaan als het advies van de gedragsdeskundigen anders luidt. [13]