ECLI:NL:PHR:2015:402
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van uitzonderingen op verlies Nederlanderschap bij verkrijging andere nationaliteit
In deze zaak staat centraal of krachtens art. 15 lid 2 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) een uitzondering geldt op de hoofdregel dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit. De casus betreft een persoon die in Suriname is geboren toen dit nog deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden en later de Surinaamse nationaliteit verkreeg nadat Suriname soeverein was geworden.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat de uitzonderingen in art. 15 lid 2 RWN Pro ook van toepassing zijn als het land van de andere nationaliteit na de geboorte soeverein is geworden, mits er een nauwe band met dat land bestaat. De Staat stelde in cassatie dat het begrip ‘land van die andere nationaliteit’ alleen een vreemde soevereine staat kan zijn, waardoor de uitzondering niet zou gelden.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad wijst dit standpunt af. Uit tekst, strekking en parlementaire geschiedenis volgt dat de uitzonderingen restrictief maar ook redelijke uitleg behoeven, waarbij het begrip land ook ziet op landen die na geboorte soeverein zijn geworden. Dit sluit aan bij het doel van de regeling om integratie te bevorderen en meervoudige nationaliteit in bepaalde gevallen toe te staan.
De conclusie adviseert het cassatieberoep te verwerpen, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat de betrokkene zijn Nederlandse nationaliteit niet verloor door de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit in 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene behoudt zijn Nederlandse nationaliteit ondanks de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.